Stagiair moet vooral lef tonen

De Tweede Kamer spreekt vandaag over begeleiding van stagiairs. Die zou ondermaats zijn. Alle partijen dragen schuld.

Illustratie Sebe Emmelot Emmelot, Sebe

Rotterdam, 11 juni. - Sultan Kat (21), sinds 2006 juridisch medewerker van advocatenkantoor Köker in Amsterdam, ziet ze regelmatig voorbijkomen. Ongemotiveerde stagiairs. Passief. Zij die pas iets gaan doen als hun baas ze een opdracht geeft. En dat werkt voor haar als stagebegeleider ook demotiverend. „Ik doe dan minder moeite. Een stagiair moet lef tonen. Je moet op je bek durven gaan.”

Vandaag debatteert de Tweede Kamer over de BVE-strategie (beroeps- en volwasseneneducatie) voor de komende drie jaar. Aan bod komt ook de begeleiding van stagiairs. Die zou vaak tekortschieten.

Zo bleek vorige maand uit onderzoek van stagebemiddelaar Stageplaza onder 615 docenten dat bijna de helft van de docenten te maken heeft met studenten die vertellen over ‘vervelende ervaringen’ tijdens hun stage. Ze worden ingezet als goedkope invalkracht en doen routineklusjes. Een kwart van de docenten vindt de begeleiding van hun studenten door de stagebedrijven ondermaats.

Bedrijven leggen de schuld juist bij de docenten. Zo vindt 60 procent van de bedrijven dat het de scholen zijn die te weinig aan stagebegeleiding doen.

Volgens Tweede Kamerlid Tofik Dibi (GroenLinks) schuiven beide partijen elkaar de schuldvraag toe. „Dat moet ophouden”, zegt Dibi. „Vooral werkgevers komen er veel te makkelijk vanaf. Ik vind dat bedrijven moeten worden verplicht om energie in hun stagiairs te steken, zoals dit al op scholen gebeurt.”

Ook kan volgens Dibi een meldpunt voor slechte stagebegeleiding, zoals dit nu ook bestaat voor examenklachten, uitkomst bieden. Een eerste stap is gezet nu staatssecretaris Marja Van Bijsterveldt (Onderwijs, CDA) inmiddels de onderwijsinspectie opdracht heeft gegeven meer toezicht te houden op de kwaliteit van stages.

Maar totdat er echt iets verbetert zal de student toch zelf moeten proberen iets van een stage te maken.

Piet Kempen begeleidde als professor Advieskunde aan de TU Eindhoven studenten tijdens hun stage. Naar aanleiding van zijn ervaringen schreef hij een boek met praktische tips: Competent afstuderen en stagelopen. „Een goede stage begint met een goede eerste indruk”, legt hij uit. „Stuur een mailtje rond, waarin je jezelf voorstelt. Veel studenten denken dat ze zo onopvallend mogelijk in een hoekje moeten gaan zitten, zodat uiteindelijk alleen de koffiejuffrouw hen nog weet te vinden.”

Andere tips: stel argeloze vragen (‘Hoe gaat dit precies in z’n werk in het bedrijf?’, maar geen domme (‘Wat doet het bedrijf eigenlijk?’). „Dat had je namelijk kunnen weten.” En het trucje om pas na de baas naar huis te gaan om een goede indruk achter te laten werkt averechts volgens Kempen. „Dan lijkt het alsof je een klus niet afkrijgt binnen de tijd die ervoor staat.”

Kempen legt de schuld van de slechte stagebegeleiding vooral bij de docenten. „Bij veel stages is het ‘op hoop van zegen’ en ‘we kijken wel hoe het gaat’.” Toch is een te strakke begeleiding volgens Kempen ook niet goed. „De student moet de ruimte krijgen zelf na te denken en te leren.”

Uiteindelijk is een stagiair zelf verantwoordelijk en moet hij vooral aan de bel trekken als het misgaat. Begeleiders krijgen geregeld te maken met studenten die de verantwoordelijkheid niet kunnen dragen, of niet gemotiveerd genoeg zijn, weet stagebegeleider Kat. „Alhoewel er soms ook best wel eentje uitspringt. Die ene student die wel durft te vragen of hij eens een dagvaarding op mag stellen. Die vooraf dossiers doorleest, wetsartikelen erbij zoekt en niets voor waar aanneemt.”

En juist voor deze studenten zijn er veel kansen op de huidige arbeidsmarkt, met een schreeuwend tekort aan personeel. Uit de halfjaarlijkse Stage Monitor van StudentenBureau bleek twee weken geleden nog dat eenderde van de studenten na de stage een baan aangeboden krijgt.

Zoals Kat, die mocht blijven na haar stage. Ze was ‘heel groen’, toen ze het kantoor voor het eerst binnenliep. Pas na een tijdje durfde ze te vragen of ze een simpel briefje op mocht stellen. „Ik kreeg het steeds weer terug vol rode strepen, maar ik bleef het verbeteren. Totdat het goed was.”