Ramp met Koersk was waterscheiding

Met onderzeeërs gebeuren geregeld ongelukken. Dat met de Russische Koersk staat in ieders geheugen gegrift. De NAVO oefende deze week op evacuaties.

De Russische reddingsonderzeeboot Priz langszij een Russisch ondersteuningsvaartuig. Foto CDR JPD Van Zaalen Zaalen, J.P.D. van

Overstappen op zee is vaak al lastig, laat staan als je dat op 150 meter diepte moet doen. En toch doen we dat: de krap bemeten Amerikaanse reddingsonderzeeboot heeft zich net met een soort metalen zuignap op het ontsnappingsluik van de Nederlandse onderzeeboot Hr. Ms. Dolfijn vastgeklemd. En nadat het water tussen de twee stalen luiken is weggepompt, piepen ze open. Een nauwe doorgang waarin een touwladder hangt, scheidt het Pressurised Rescue Vehicle van het inwendige van de Dolfijn. De druk van het zeewater op het iele aluminium wandje bedraagt 15 atmosfeer. Handen schieten toe. „Welkom aan boord van de Dolfijn.”

Vorige week hield de NAVO in Noorse kustwateren bij het zuidelijke Kristiansand een oefening in het redden van verongelukte onderzeeboten. Voor het eerst was bij een dergelijke oefening een Russische reddingsonderzeeër betrokken, de Priz. De Dolfijn lag met een Noorse en een Poolse boot op de bodem, in afwachting van evacuatie. Vier types reddingsonderzeeboten evacueerden ‘gestrande’ bemanningen, diepzeeduikers wrikten luiken open. De Koninklijke Marine had een coördinerende rol vanaf het amfibische transportschip Hr. Ms. Rotterdam.

Bij de woorden ‘onderzeeboot’ en ‘ongeluk’ gaan de gedachten snel uit naar het drama met de Russische atoomonderzeeër Koersk, die in augustus 2000 met meer dan honderd bemanningsleden in de Barentszzee verging. Maar ook NAVO-onderzeeboten zijn niet immuun voor calamiteiten. Zo haalde de Britse kernonderzeeër HMS Superb een paar weken terug de krant door in de Rode Zee een onderzeese rotspunt te raken. In september 1994 sijpelde tijdens een geheime missie in de Adriatische Zee koolmonoxide het inwendige van de Nederlandse Zwaardvis binnen. In april 2004 beschadigde de Dolfijn nog de schroef aan onderzeese kabels in Noorse wateren. Bovendien loopt er, zoals een hoge officier van de Onderzeedienst zegt, „eens in de zoveel tijd eentje aan de grond” – voorvallen die nooit de krant halen.

Het type missies waarin Nederlandse onderzeeboten zijn gespecialiseerd – informatie vergaren in kustwateren zoals rond het Arabisch schiereiland – vergroot de kans op ongelukken. „Missies in ondiep water”, zegt overste Jeroen van Zaalen, stafofficier operaties van de Onderzeedienst, „zijn risicovoller”. Dat heeft niet zoveel met ondieptes te maken, aldus Van Zaalen, „maar met het drukkere scheepvaartverkeer langs de kust”.

De ramp met de Koersk legde de gebrekkige samenwerking bloot tussen alle instanties die bij nood kunnen helpen. De Russen wilden eerst geen westerse hulp ontvangen. En als ze die wel snel hadden toegestaan, dan waren reddingsonderzeebootjes toch te laat gekomen, onder andere doordat onduidelijk was op welk moederschip die gestationeerd konden worden.

Voor de meevarende Britse admiraal David Cooke, die verantwoordelijk is voor alle bewegingen van de Britse oppervlakteschepen, van het vliegende materieel en de onderzeebootvloot, betekende de ‘Koersk’ een waterscheiding in de ontsnappingsfilosofie: „Vroeger vroegen we ons vooral af hoe we eruit konden komen, nu willen we vooral weten hoe we d’r in komen.”

De oefening vorige week testte alle nieuwe technologieën en procedures. Er waren ook medische teams die alle mogelijke rampenplannen doorliepen. Er waren waarnemers van bijna alle landen die onderzeeboten in de vaart hebben, waaronder niet-NAVO-landen als Oekraïne, Israël en China.

Natuurlijk, zegt admiraal Cooke, er komen politieke spanningen boven bij zulke exercities. De Polen en de Russen, dat gaat bijvoorbeeld niet zo goed samen. Maar „zet onderzeebootbemanningen van verschillende nationaliteiten bij elkaar en ze vergeten de politiek. Submariners praten over onderzeeboten: hoe doen jullie dit?”

Een scenario waarin Russische reddingsonderzeeërs NAVO-boten te hulp komen, ziet hij ook niet als waarschijnlijk. Maar „wanneer er twee onderzeeboten tegelijk verongelukken heb je misschien twee van die systemen nodig”.

Toch kijken ze op de Dolfijn met gemengde gevoelens terug op de aanwezigheid van de Russen. „Er was hier een kleine Russische marinedelegatie aan boord met wat Russische journalisten”, zegt een bemanningslid. „Die vroegen om een glas water toen de Dolfijn eenmaal op de bodem rustte. Dat gaven we ze, maar dat was volgens de tolk niet het goede type water. Bleek dat ze in hun marine de gewoonte hadden om een glas zeewater achterover te slaan wanneer ze met een van hun boten bodemden.”

Dat was nog een onschuldig misverstand geweest, maar „die journalisten waren volgens mij helemaal geen journalisten. We hadden veel metertjes afgeplakt en alles verwijderd wat ze niet aanging. Maar die lui bleven maar inzoomen met hun camera op de knopjes en de beeldschermen. Terwijl we gezegd hadden dat dit niet mocht. Daar werd je doodmoe van.”

Maar van de klunzigheid waarmee de Russen op die fatale dag in 2000 op de Koersk-ramp reageerden, was weinig meer over. Het snelheidsrecord van de Amerikaanse PRM om een gestrande bemanning te evacueren bedroeg nu ongeveer tweeënhalf uur. De Russen deden het bij de evacuatie van de Dolfijn met hun Priz een uur sneller.

Een bemanningslid: „Die Amerikanen hebben alle hightech van de wereld, sonar, camera’s, GPS, noem maar op. Maar die Russen vonden ons gewoon met behulp van de rookgranaat die we hadden afgevuurd en een zeekaart. Voor in de Priz lag een Rus door een soort patrijspoort naar buiten te loeren. Tot hij ons zag.” De koppeling, waarvoor in de voorbereiding technische gegevens waren uitgewisseld, verliep soepel. „Je mag het eigenlijk niet zeggen, maar als deze onderzeeboot in de problemen komt, dan zag ik het liefst dat de Russen ons te hulp schoten.”