Plasterk voert kortingen in twee fasen in

Minister Plasterk (OCW, PvdA) geeft de culturele instellingen tot 2013 de tijd om ondernemender te gaan werken en meer eigen inkomsten te verwerven. Volgend jaar worden daarvoor normen vastgesteld.

Plasterk schreef dat gisteren in een brief aan de Tweede Kamer als een reactie op het rapport Meer draagvlak voor cultuur van de commissie Cultuurprofijt onder voorzitterschap van Martijn Sanders. Minister Plasterk gaat akkoord met het voorstel van de commissie om per jaar vijftien miljoen euro ter beschikking te stellen voor het stimuleren van ondernemerschap. In het Regeerakkoord was afgesproken vijftig miljoen te bezuinigen op Cultuur en dat geld deels te gebruiken om de sector te stimuleren meer eigen inkomsten te verwerven.

De minister voert volgend jaar een gehalveerde korting van 5 miljoen door om de sector in de overgangsfase tegemoet te komen. In 2009 leveren alle instellingen met een rijkssubsidie 1,7 procent in. In de jaren daarna is de bezuiniging 10 miljoen per jaar. Plasterk wijkt daarmee af van het advies van de commissie om de korting te koppelen aan de eigen inkomsten.

Plasterk zegt dat op dit moment niet kan worden vastgesteld welke instellingen goed of juist niet goed presteren. Later worden minimumnormen voor eigen inkomsten vastgesteld.

De vereniging Kunsten ’92, waarin een groot aantal kunstinstellingen is vertegenwoordigd, heeft er waardering voor dat de minister een gefaseerde invoering van de regelingen voorstelt. Maar grote bezwaren heeft Kunsten ’92 tegen de algemene korting die Plasterk volgend jaar doorvoert. Dat is toch de kaasschaaf en zo worden ook de instellingen getroffen waar het ondernemerschap het meest succesvol is doorgevoerd.

„De gedachte van de commissie Cultuurprofijt was juist dat de succesvolle instellingen zouden worden beloond en de achterblijvers worden geholpen het beter te doen. Nu worden alle instellingen getroffen en dat zal de kwaliteit en het maatschappelijk bereik van de sector eerder verzwakken dan versterken.”

Een principieel bezwaar van Kunsten ’92 is dat de minister kwaliteit en ondernemerschap op één lijn stelt. „Daarmee geeft de minister een wending aan de basis van het cultuurbeleid waarvan de gevolgen nog ongewis zijn. Bij het kunst- en cultuurbeleid zijn inhoud en kwaliteit het belangrijkst en daarbij hoort de Raad voor Cultuur de hoofdrol te spelen.”