Methode correctie examen dubieus

Deze week ontvangen eindexamenkandidaten in het voortgezet onderwijs de uitslag van het centraal examen. De geslaagden moeten hun cijfers met argwaan bekijken.

Middelbare scholen worden gewaardeerd op basis van hun slagingspercentage en niet op basis van het succes van hun leerlingen in het vervolgonderwijs. Scholen en onderwijs hebben er daarom belang bij om het werk van hun leerlingen zo soepel mogelijk na te kijken.

Dat blijkt ook al jaren uit de cijfers. Gemiddeld ligt de uitslag van het centraal schriftelijk eindexamen een half punt onder de uitslag van het schoolexamen. Niet alle scholen laten zich verlokken, maar het fenomeen is sterk genoeg om de aandacht van de onderwijsinspectie te trekken. En er is meer.

De docent kijkt –naast het schoolexamen – het centraal schriftelijk eindexamen van de eigen leerlingen na. Hier hebben zij een tweede kans om de eigen leerling te begunstigen.

Om te voorkomen dat docenten zwakke knieën krijgen bij het nakijken van het werk van eigen leerlingen, moeten zij het gecorrigeerde werk voorleggen aan een docent van een andere school. Deze moet bij onenigheid contact opnemen met de eerste docent. Vervolgens ontstaat een proces van onderhandeling waarin de voorgeschreven uitkomst neerkomt op middeling van het verschil van mening. Als een docent dus 12 van de 100 punten overdrijft haalt hij er toch zes binnen voor zijn leerlingen.

Nu is het zeker niet zo dat een eerste corrector altijd oppositie ondervindt bij gebleken soepele behandeling. Er is zo’n anderhalve week beschikbaar om de tweede correctie uit te voeren en tot overeenstemming te komen.

Verder heeft de tweede corrector alleen maar extra werk bij protest. Werk dat naar hun zeggen vooral in privétijd moet worden gedaan.

Er zijn ook aanwijzingen dat tweede correctoren meebuigen met de eerste corrector. Zo meldde de Inspectie voor het onderwijs dat de tweede corrector werk vluchtig of steekproefsgewijs naziet. Kortom, de docent die zijn leerlingen wil matsen heeft daar alle gelegenheid en motivatie toe.

Hoe kunnen we de situatie verbeteren?

De remedie is eenvoudig. Centraal schriftelijke eindexamens worden vanaf 2009 door docenten van andere scholen nagekeken. Hiermee kunnen we alle perverse mechanismen in één slag verwijderen. In de eerste plaats kan de docent zijn eigen leerlingen niet meer matsen bij het nakijken van het centraal schriftelijk eindexamen. In de tweede plaats zal het de docent ertoe brengen het schoolexamen strenger na te zien. Het zou immers te opvallend zijn als de uitslagen van het schoolexamen verder uit de pas gingen lopen met het centraal schriftelijk eindexamen. Ook de Inspectie hoeft minder werk te doen.

Bovenal is het gunstig voor de eindexamenkandidaat. Hij hoeft niet langer bang te zijn met een geflatteerd cijfer het vervolgonderwijs in te gaan in de veronderstelling dat het wel goed zit.

Als u wilt weten of een school leerlingen ‘matst’, kijk dan naar het verschil tussen schoolexamen en eindexamen en vraag de school dit verschil te verklaren.

Jan Bouwens is hoogleraar accounting aan de Universiteit van Tilburg.