‘Je krijgt geen Waalse werkloze naar Vlaanderen’

De Belgische minister Turtelboom van Migratie- en Asielbeleid wil het probleem van de werkloosheid, het personeelstekort en de illegalen oplossen. Een vraaggesprek.

Annemie Turtelboom, de Belgische minister van Migratie- en Asielbeleid. Foto AFP Minister of Asylum Policy and Migration Annemie Turtelboom (Open VLD Flemish liberals) takes the oath in front of King Albert II as minister of the newly formed government Leterme I, on 20 March 2008 at the Royal Castle of Laeken/Laken, Brussels. AFP PHOTO / BELGA PHOTO / DIRK WAEM AFP

In België geldt sinds 1974 een migratiestop. „Maar als ik dat hier op de hoek van de straat zeg, steken ze mij onmiddellijk in therapie”, zegt Annemie Turtelboom (40) van de Vlaamse liberale partij ‘Open VLD’, minister van Migratie- en Asielbeleid in de federale regering van België. Het werkt natuurlijk niet. „Het is een paraplu die je gebruikt om een orkaan tegen te houden.”

Maar móet het wel werken? België, zegt Turtelboom ook, heeft heel dringend migranten nodig. Ze zit in een kamer van haar ministerie in Brussel. Uit haar tas haalt ze een print: Vlaanderen, verdeeld in vakjes, die vooral donker gekleurd zijn. „In die donkere vlakken is er krapte op de arbeidsmarkt. Er is een werkloosheid van 3 tot 5 procent, maar dat is frictiewerkloosheid, mensen die een paar maanden werkloos zijn tussen twee banen in.’’

België kent al twintig jaar ‘knelpuntbanen’ – vooral in de bouw, de technische beroepen – waarvoor mensen van buiten België soms al binnen vijf dagen een werkvergunning kunnen krijgen. Turtelboom: „Maar het gaat allang niet meer over knelpuntbanen, we hebben een knelpunteconomie.’’

Waar komt dat vooral door?

„Door de vergrijzing. Dat is het probleem van heel Europa, maar in Vlaanderen gaat het snel. Een stuk sneller bijvoorbeeld dan in Wallonië of in Nederland. In Europa zijn alleen Duitsland en Italië grijzer.’’

Hoe dramatisch is het probleem in België?

„Voor élk Europees land geldt: als je niet het bejaardentehuis van Europa wilt worden, moet je nu een gevoel van urgentie hebben.”

Er zijn zo’n tweehonderdduizend werklozen in Wallonië. Ligt het niet voor de hand om die eerst naar Vlaanderen te halen?

„Vergeet niet: een bedrijfsleider neemt niet voor zijn plezier iemand uit Polen of Roemenië in dienst. Je hebt een taalprobleem, een veiligheidsprobleem, je haalt mensen uit een andere cultuur, je moet extra kosten betalen. Maar het is bittere noodzaak.

„Ik wíl de knelpuntberoepen wel opvullen met Waalse werknemers, maar dat lukt nu al twintig jaar niet. Dat heeft te maken met de complexheid en boeiendheid van tweetalig België. De arbeidsbemiddeling is al twintig jaar geregionaliseerd. Vlaanderen, Wallonië en Brussel hebben eigen arbeidsbureaus. Maar er is nu wel een begin van samenwerking, in Wallonië worden nu Nederlandse taallessen georganiseerd.”

Waarom dan niet wachten op de Walen, als die samenwerking nu beter gaat?

„Het is altijd én én. Je ziet dat de krapte op de arbeidsmarkt blijft. Wat er nu gebeurt, is onvoldoende. In het parlement heb ik altijd ‘werkgelegenheid’ gedaan. Als ik in 2003 bij bedrijven kwam, ging het altijd over de loonkosten. Laatst was ik bij een debat waar een bedrijfsleider van een bouwonderneming zei: voor het eerst sinds 25 jaar groei ik niet meer, omdat ik geen personeel kan vinden.’’

Wat gaat u doen om economische migranten naar België te halen?

„We hebben nu een systeem van arbeidskaarten voor hoger opgeleiden en leidinggevenden. Als je een inkomen hebt van meer dan 35.000 euro per jaar kun je twee keer voor vier jaar zo’n kaart krijgen. Die wet wil ik uitbreiden voor de knelpuntberoepen. De Indiase lasser moet hier naartoe kunnen komen om te werken voor het minimumloon. Maar altijd voor een beperkte periode.’’

U kwam kort geleden met een plan om illegalen een verblijfsvergunning te geven. Ze kunnen punten halen, maximaal zeventig. Bijvoorbeeld als ze hier werken. Wat is uw plan precies?

„In het regeerakkoord hebben we afgesproken dat we mensen die ‘duurzaam lokaal verankerd’ zijn een verblijfstitel geven. Ik wil niet de Romeinse keizer zijn die met de duim omhoog en de duim naar beneden zegt: jij mag blijven, jij niet. Mijn voorgangers kregen dat verwijt. Je voelt met je ellebogen aan wat lokale verankering is, maar dat is niet afdoende. Dan kom je uit bij een systeem waarin je punten gaat geven. Dan ga je kijken naar dingen als: spreken mensen de taal, hebben ze hier kinderen op school, werken ze of zijn ze bereid om te werken, zijn ze actief in een vereniging?”

Waarom noemde u uw voorstel een ‘zeventigpuntenplan’? Iedereen in Vlaanderen zal dat associëren met een oud plan van het Vlaams Blok dat zo heet. Over hoe Vlaanderen weer Vlaams gemaakt kon worden.

„Het is een beetje ongelukkig. Ons plan had ook ‘tachtig punten’ kunnen heten. Toen we het aan het uitwerken waren, vonden we: zestig is een beetje weinig, tachtig is weer erg veel. Wij hebben de associatie met het Vlaams Blok niet gemaakt. Soit. Een inschattingsfout misschien. Ons gaat het er niet om mensen buiten te sluiten.’’

Critici verwijten u het omgekeerde. Je komt uit Senegal, dus spreek je Frans. Je komt met een kind, je wilt een eigen bedrijf beginnen in België en je krijgt een verblijfskaart, omdat je zeventig punten hebt.

„Dat is niet juist en dat weten ze ook. Men krijgt hier niet zomaar een beroepskaart. Het gaat niet om mensen die hier nooit eerder gewerkt hebben. Je krijgt ook niet zomaar nul of zeventig punten, het is niet zwart of wit. We zijn niet de onmens met de hakbijl.’’

Uiteindelijk moeten mensen toch worden beoordeeld. Er blijft een keizer die beslist.

„Als je het systeem van criteria zoveel mogelijk verfijnt, streef je naar een zo groot mogelijke objectiviteit. Maar het gaat natuurlijk altijd om mensen met een gezicht.’’

Wat als je uitkomt op 68 punten?

„Je moet er niet op uitkomen dat 90 procent van de mensen om wie het gaat 68 punten haalt. Dat moet 3 of 4 procent zijn, anders ben je fout bezig.’’

U wilt geen keizer zijn die met zijn duim omhoog en naar beneden gaat. U was laatst wel in een radioprogramma waarin gevallen aan u werden voorgelegd en u moest punten geven.

„Ik zat daar zonder gegevens van die mensen, ik had geen dossier.’’

In Nederland zal een minister niet snel aan zo’n programma meedoen als het alleen nog maar om een plan gaat.

„Ik heb geen schrik van iets.’’

Weet u om hoeveel illegalen het gaat die via uw systeem een verblijfsvergunning krijgen?

„Nee, ik vaar blind. Ik zou liever cijfers hebben, maar die heb ik niet.’’

Omdat ze politiek te gevoelig zijn?

„Dat is absoluut zo. Maar wij hebben nergens cijfers van. Als het over gender gaat, over de loonkloof, er is geen statistiek. Ik denk soms: we lopen enorm achter als het over statistiek gaat.’’

Wat nu als er veel meer mensen zich in België willen vestigen dan het land nodig heeft?

„Ik wil geen debat over cijfers, het gaat om de inhoud. In Canada mogen x-duizend mensen binnenkomen voor gezinshereniging. Stel je voor dat je net de x-duizend-en-eerste bent. Geweldig is dat, als je wilt trouwen met de liefde van je leven.’’

U heeft, net als andere Europese ministers van asielzaken, te maken met een bevolking die soms roept: de grenzen moeten dicht. En dan weer: mijn buurvrouw is anders, díe moet blijven.

„Als ik een beleid zou voeren op basis van individuen, dan lijkt dat menselijk. Maar dan ben ik ook onmenselijk voor alle individuen die niet good looking en mondig zijn, en die geen actiegroep achter zich hebben. Als ik smelt voor een verhaal en daarom iemand binnen laat, drijf ik zo twintig of dertig mensen in de handen van een mensenhandelaar, van wie er misschien vijf omkomen onderweg. Niets is wat het lijkt op dit departement.”

„Ik weet dat ik ooit een terugslag zal krijgen. Op een dag zal ik in mijn zetel zitten en denken: was dit verstandig, heb ik het wel goed gedaan?”

Bij immigratie hoort integratie. Hoe gaat het daarmee in België?

„We hebben een zeer goed inburgeringstraject in Vlaanderen.”

En in Wallonië wat minder goed?

„Als je verantwoordelijkheid geeft aan de regio’s, dan wil ik me daar verder niet mee bemoeien. Je kunt niet alles weten in het leven. Als je je kinderen de afwas laat doen, moet je niet achteraf zeggen dat ze het niet goed hebben gedaan. Als je de zorgen voor de kinderen aan je man overlaat, moet je niet gaan zagen dat de pampers niet goed zitten. Dat heb ik wel geleerd.”