Inflatietheorie behoeft aanpassing

Ben Bernanke is zowel hoogleraar als centralebankier. Zijn toespraak van afgelopen maandag weerspiegelt beide rollen. Het deel dat afkomstig was van de voormalige president van de economiefaculteit van de Universiteit van Princeton klonk alarmerender dan dat van de huidige voorzitter van de Federal Reserve (de Fed, het federale stelsel van Amerikaanse centrale banken).

De markten hebben uitsluitend aandacht besteed aan zijn uitspraken als Fed-voorzitter. Bernanke bagatelliseerde het risico van een ‘substantiële economische inzinking’, uitte geen dringende zorgen over de financiële stabiliteit en zei dat de Fed zich ‘hevig zal verzetten’ tegen iedere ‘erosie’ van de inflatieverwachtingen op de langere termijn. Het werd geïnterpreteerd als een verzameling codewoorden voor een serie renteverhogingen, waarvan de eerste in augustus wordt verwacht.

Maar zijn academische vertoog was onthullender. Er bleek uit dat Bernanke zwaar in verlegenheid wordt gebracht door de dynamiek van de inflatie – in verleden, heden en toekomst.

De grondstoffenprijzen waren het eerste onderwerp. Die worden buiten beschouwing gelaten in de door de Fed bij voorkeur gehanteerde maatstaf van de ‘kerninflatie’. Maar Bernanke gaf toe dat dit beleid heeft geleid tot ‘onderschatting’ van het inflatierisico. Hij toonde zich ook verbaasd over het feit dat zo veel verschillende grondstoffenprijzen zo snel en zo ver zijn gestegen.

Vervolgens wendde hij zich tot het verband tussen lonen en prijzen. Daar zijn heel veel gegevens over, maar het lijkt erop dat de werkgevers de lonen niet laag houden, zoals zij dat volgens de modellen zouden moeten doen. Dat is van belang, omdat de modellen voorspellen dat een zwakke economie ervoor zal zorgen dat de lonen niet net zo veel zullen stijgen als de prijzen.

Het laatste onderwerp betrof de precieze werking van inflatieverwachtingen. Op dit punt lijkt het intellectuele dilemma compleet. Niemand weet hoe deze verwachtingen tot stand komen, waarom ze veranderen of hoe ze daadwerkelijk de vaststelling van lonen en prijzen beïnvloeden.

Hoogleraren houden van levendige debatten, dus misschien moeten Bernankes confidenties over zijn onwetendheid niet worden opgevat als een intellectuele wanhoopskreet. Maar nu de hardnekkigheid van de mondiale inflatie de meeste economen blijft verrassen, kan het conventionele model een opfrisser goed gebruiken.

Misschien zou Bernanke eens meer moeten nadenken over geld en krediet, twee onderwerpen die opmerkelijk genoeg afwezig waren in zijn toespraak. In de oude verklaring voor het verschijnsel inflatie was geen sprake van verwachtingen en capaciteitsbeperkingen, maar van buitensporige koopkracht in vergelijking met het aanbod van goederen en diensten. Die monetaristische theorie kon wel eens een grote revival te wachten staan.