‘In België heb ik leren bikkelen’

Orlando Engelaar (28) heeft al een voetballeven achter zich, maar hij breekt nu pas door op topniveau. Hij speelde maandag bij zijn EK-debuut, tegen Italië, als een ervaren international.

Orlando Engelaar maandagavond in de wedstrijd tegen Italië. Foto Michael Kooren Zwitserland, Bern, 09-06-2008, Orlando Engelaar. foto's :Michael Kooren. Kooren, Michael

Op de binnenkant van zijn linkerarm draagt Orlando Engelaar een tatoeage. Binnen een rouwkader staat een tekst die herinnert aan Ferry van Vliet. De jonge profvoetballer en zijn vriendin kwamen zeven jaar geleden om het leven bij een auto-ongeluk. Engelaar had een speciale band met Van Vliet,die hij van jongs af aan kende van de Rotterdamse straat. De tatoeage symboliseert de plaats in zijn hart die hij altijd voor hem zal bewaren. En nu draagt hij zijn oude makker mee tijdens het EK waarop hij, de internationaal grote onbekende met inmiddels zeven caps achter zijn naam, maandagavond een droomstart maakte tegen Italië.

Het bericht van Ferry’s dood kwam bij Engelaar in 2001 aan „als een mokerslag”. Beiden voetbalden op dat moment bij NAC. „We zijn allebei opgegroeid in Rotterdam. We kenden elkaar van het voetballen op straat en als we tegen elkaar speelden. Ferry was lid van Spartaan ’20, ik van Feyenoord. Vanaf het moment dat NAC hem daar weghaalde, trokken we met elkaar op.”

Na dat fatale ongeluk was Engelaar lange tijd van slag. „Ik heb er minstens een half jaar heel erg mee gezeten. Ik stond ermee op en ging ermee naar bed. Het had weerslag op mijn spel. Ik heb er met mijn toenmalige trainer Henk ten Cate over gesproken. Hij begreep wat ik doormaakte, hij wist hoe close we waren. Ik moest er overheen komen, het moest eruit. Altijd zitten zijn voetbalschoenen nu standaard in mijn tas. En door die tatoeage is hij voor altijd bij me.”

Engelaar heeft op z’n 28ste al een opmerkelijk levensverhaal. Met als meest recente bijzonderheid dat hij in een laat stadium van zijn loopbaan deel uitmaakt van het Nederlands elftal bij het EK. Engelaar groeide op in Rotterdam-Zuid, dichtbij de Kuip. „Ik kon het Feyenoordstadion zien liggen en horen.” Zijn vader was ook een goede voetballer. „Een centrale verdediger. Een topper in zijn tijd, als ik hem mag geloven. Hij speelde bij Robin Hood in Suriname.”

Hoewel hij nooit doordrong tot het eerste elftal, speelde Engelaar dertien seizoenen voor Feyenoord. Bij die club kwam hij op een aparte manier terecht. Orlando’s vader werkte op de röntgenafdeling van het Sint Franciscus Gasthuis. Op een dag ontmoette hij daar Feyenoordaanvoerder Bennie Wijnstekers. „Hij had snel een foto nodig en mijn vader kon dat regelen. Wel onder de voorwaarde dat ik een keer naar Feyenoord mocht komen voor een proeftraining. Wijnstekers hield woord en ik kreeg twee kansen. Na de eerste training zei trainer Michel Zwik dat hij het al had gezien. Ik was zeven jaar en werd toegelaten tot de F-pupillen.”

Engelaar doorliep op Varkenoord alle leeftijdscategorieën en kwam daarin steeds uit in de hoogste jeugdteam. Tot hij op zijn twaalfde last kreeg van groeistuipen met de bijbehorende coördinatieproblemen. „In die periode heb ik me echt afgevraagd of het nog wel goed zou komen. Ik had er veel problemen mee en begon aan mezelf te twijfelen. Shit man, ik kan niet meer zo goed voetballen, riep ik steeds. Ik ben minder gaan trainen en teruggezet naar de B2.”

Hij kreeg een injectie tegen groeistuipen, anders was hij misschien wel doorgeschoten naar 2.10 meter. Hij groeide uiteindelijk naar 1.96 meter en dat is lang voor een middenvelder. Hij is wel eens omschreven als een sierlijke slungel. Ondanks zijn lengte bezit Engelaar de souplesse voor een positie in de middenlinie. „Lange voetballers worden inderdaad meestal in de spits gezet of centraal in de verdediging. Ik heb echter altijd op het middenveld gespeeld. Meestal achter de spitsen.”

Na de jeugdopleiding kwam Engelaar bij Feyenoord in het C-team terecht (tweede elftal). Een knieoperatie wegens een kraakbeenblessure zette even een rem op zijn ontwikkeling. „Ik had inmiddels op achttienjarige leeftijd een contract voor drie jaar getekend. In het eerste halfjaar van het tweede seizoen moest ik terugkomen van die blessure. Dat had natuurlijk tijd nodig. Ik kreeg te horen dat ik weg mocht. Ik kon naar satellietclub Excelsior. Maar dat zag ik niet zo zitten. Die club speelde toen – negen, tien jaar geleden – perspectiefloos in de eerste divisie. Er waren op dat moment weinig voorbeelden van spelers die daar weer goed vandaan kwamen.”

Tegen toenmalig technisch directeur Rob Baan van Feyenoord zei Engelaar: ‘Ik laat me niet stallen bij Excelsior, dat doe je met een koe.’ Op verzoek van zijn vader ging hij in op de uitnodiging mee te spelen met het team van de Suriprofs. Dat werd toen gecoacht door Henk ten Cate. Engelaar liet zo’n goede indruk achter, dat de Amsterdamse trainer hem namens NAC een contract aanbood. Maar toen wilde Feyenoord de middenvelder niet meer kwijt – hij was inmiddels weer beter gaan spelen.

Het lukte hem toch zich los te weken bij Feyenoord. Wel moest NAC een forse afkoopsom betalen aan de club uit Rotterdam. „Ik wist toen hoe het voetbal in elkaar zat”, zei Engelaar in 2002 in een interview met het weekblad Voetbal International. „Je bent gewoon een nummer. Veertien jaar had ik alles voor Feyenoord gegeven, maar toen ik promotie kon maken werd me dat niet gegund.”

In Ten Cate ontmoette Engelaar de juiste trainer op het juiste moment. „In het begin van je loopbaan moet je snel bewust worden van je kwaliteiten en waar het om draait in het voetbal. Ten Cate drukte me met harde hand op de feiten. Hij maakte me duidelijk dat niets vanzelf gaat. Heel veel jonge voetballers denken dat talent alleen genoeg is om ver te komen. Maar je moet keihard werken en zorgen dat je nooit verslapt. Niet alleen vertrouwen op je talent en techniek. Ten Cate wist me op een bepaalde manier te prikkelen, scherp te houden.”

Na vijf seizoenen NAC stapte Engelaar in 2005 over naar het Belgische RC Genk. Ook die periode was een goede leerschool. „Ik ben daar sterker geworden. Ik moest bikkelen en vechten. Dat kwam ook door de manier van spelen in België. Ik kreeg te maken met tegenstanders die helemaal niets deden en van hun trainer alleen de opdracht hadden gekregen om mij af te stoppen. Daar moet je dan oplossingen voor bedenken.”

Twee jaar geleden keerde Engelaar gelouterd terug naar Nederland, waar hij een contract tekende bij FC Twente. Trainer Fred Rutten zag in hem niet zozeer een aanvallende, maar een defensieve middenvelder.

Dat was begin van de marsroute naar het Nederlands elftal. Engelaar: „In een gesprek met Rutten maakte hij me duidelijk dat ik grotere stappen zou kunnen maken als defensieve middenvelder. In het begin had ik daar mijn twijfels over. Ik was gewend om regelmatig doelpunten te maken. Ik zou minder in scoringspositie komen. Maar na een aantal competitiewedstrijden moest ik Rutten gelijk geven.”

Het lijkt een vak apart, controleur op het middenveld. Engelaar heeft zich in zijn huidige rol op het EK twee jaar kunnen bekwamen omdat FC Twente onder Rutten hetzelfde systeem speelde als Oranje nu. „Als controlerende middenvelder moet je voortdurend zorgen dat je op de goede plek staat, zodat je counters van de tegenstander kunt voorkomen. Je dient ook steeds met anderen in het veld te praten. Er is op te trainen, maar het moet ook in je zitten.”

Aan Rutten heeft Engelaar dus voor een groot deel zijn huidige optreden in Zwitserland te danken. De oefenmeester heeft hem ook aanbevolen bij zijn nieuwe club Schalke 04 en die transfer lijkt rond te komen. Maandag stond hij na de triomf op wereldkampioen Italië trots met het shirt van Massimo Ambrosini in zijn handen. „Deelnemen aan het EK is een droom voor iedere speler. Heel weinig mensen zullen een paar jaar geleden hebben verwacht dat ik dit zou bereiken. Ik mocht tegen Italië ook aanvallend spelen en dat is aardig gelukt. Mooi dat een deel van m’n familie op de tribune zat.”

    • Erik Oudshoorn