Gênante taalmomenten

Stel je voor dat alles wat je zegt opgemerkt wordt, en dat alles dan ook nog briljant en origineel gevonden wordt. Dat is wat Johan Cruijff tot voor kort meemaakte. Zelfs versprekingen (geitenkaas) werden door aanbidders nog geïnterpreteerd als ‘júíst heel waar’. De meeste mensen zouden hierdoor van onzekerheid geen mond meer open doen. Zo niet Cruijff, en misschien is dat nog wel zijn grootste talent: het kan hem weinig schelen wat anderen van zijn taalgebruik vinden.

Inmiddels zijn er steeds minder mensen die mee willen gaan in de hypothese ‘Cruijff is God’, en dat levert gênante taalmomenten op. Zo ook presentator Tom Egbers, afgelopen maandag bij de voorbespreking van de wedstrijd.

Hij vroeg heel oneerbiedig: „Maar wat zeg jij nou ook alweer altijd, Johan? Over de Italianen? Dat ze niet van je kunnen…?” Egbers leek een moeder die bij de slager tegen haar kind zegt: ‘En wat zeg je dan?’

Cruijff werd op slag een verlegen kleuter en vulde schaapachtig aan: „Dat ze niet van je kunnen winnen, maar dat jij wel van hun kunt verliezen.”

Een duidelijk gênant taalmoment. Gedwongen worden je eigen hermetische spitsvondigheid te herhalen, waarop de ander dan ook nog zegt: „O ja. Nou, ik zal je maar niet vragen die uitspraak te verklaren, ha… ha…”

Daarna vroeg Egbers heel slinks in een bijzin of Cruijff eigenlijk nog contact had met Van Basten. „Nee hoor!” riep Cruijff. Dat was duidelijk een leugen. ‘Nee hoor!’betekent ‘Ja, maar stiekem.’ Anders had hij wel gezegd: ‘Nee, niet meer.’ Daarna maakte Cruijff het erger voor zichzelf door eraan toe te voegen: „En het doet ook niet ter zake.” Dat is een constructie van het type: ‘Nee, de antieke vruchtenschaal is niet kapot en het was ook niet mijn schuld.’

Twee gênante taalmomenten in één kort voorgesprek. Laten we hopen dat Cruijff toch God is. Gewone stervelingen kunnen dit niet aan.