Gelukkig bleef Fryslân zoals het was

Fotografie Andries Deinum - Fryslân Revisited. T/m 24 augustus in Fries Museum, Turfmarkt 11, Leeuwarden. Di-zo, 11-17. Inl: 058-2555500, friesmuseum.nl

Er valt beslist wel het een en ander aan te merken op de foto’s die Andries Deinum ruim zestig jaar geleden maakte op het Friese platteland. Dat de horizon telkens zo braafjes langs het midden van het beeld dobbert bijvoorbeeld. Dat die foto’s zo idyllisch zijn en te lieflijk voor de werkelijkheid van toen. Of, al wat meer praktisch, dat ze zo nu en dan onscherp zijn.

Maar ja, ze zijn dan ook nooit bedoeld geweest om geëxposeerd te worden. Ze wilden geen reportage zijn over het naoorlogse Friesland en al evenmin een tijdsbeeld schetsen. Andries Deinum (1918-1995) fotografeerde uitsluitend om zijn geboorteplaats Workum te bewaren, het Zuiderzeestadje dat hij, in 1937 al, had ingeruild voor Palo Alto, Californië.

Zo’n 150 zwart-wit foto’s moet hij gemaakt hebben tijdens zijn eerste familiebezoek sinds jaren, in september en oktober 1946. Veertig daarvan zijn nu te zien in het Fries Museum in Leeuwarden. Nieuwe afdrukken zijn het, gemaakt van negatieven die werden teruggevonden in zijn archief. Die nalatenschap wordt bewaard door de universiteit van Portland waar Deinum de tweede helft van zijn leven werkte als docent filmtheorie. (Aanvankelijk was hij cameraman en werkte in Hollywood mee aan films van regisseurs als Fritz Lang, John Ford en Alfred Hitchcock - een carrière die spaak liep wegens zijn lidmaatschap van de communistische partij.)

„Ik was acht jaar weg en dacht niets terug te zullen zien en deze photo’s zijn het bewijs dat in die jaren eigenlijk niets veranderd was”, schreef Deinum enige tijd na zijn Friese bezoek aan een inmiddels eveneens naar Amerika geëmigreerde broer. Het ‘bewijs’ moet hebben bestaan uit enkele van de nu geëxposeerde foto’s.

Het zijn geruststellende woorden: kijk, het geliefde Heitelân uit hun beider jeugd bestond nog.

Deinums woorden zeggen veel over het karakter van zijn foto’s: er wordt vooral op achteruit gekeken. Daarmee verschillen ze hemelsbreed van het werk dat (professionele) tijdgenoten als Ed van Wijk en Cas Oorthuys maakten in naoorlogs Nederland.

Deinums Friesland oogt ouderwets - oude boeren tijdens een veekeuring, smalle straten geplaveid met kinderkopjes, het verweerde gezicht van een palingroker bij zijn visnetten, mistige vaarten met een enkele eenzame zeilsloep. En eindeloos zijn er de vergezichten boven het weidegebied waarin zwartbont vee tevreden graast. Het zijn foto’s waarover een floers van romantiek hangt. Geen fabrieksschoorsteen aan de einder, geen auto’s op de weg, geen wasmachine in de keuken. Modern is hooguit het glimmende motorbootje van de waterpolitie.

Dat alles neemt niet weg dat zijn foto’s allerminst kiekjes zijn. Deinum was onmiskenbaar een geoefend kijker en zijn foto’s zijn weloverwogen. Mooi moesten ze zijn, tekenend voor de sfeer van vroeger - en dat zijn ze. Inclusief details als het gehaakte kleedje over de rug van een leunstoel, de verstelde jas van een spelend meisje, het handige stoeltje van de koeienmelkster en de mist over het water.

In de expositiezaal klinkt de stem van de dichter Tsjêbbe Hettinga, die zich door de foto’s liet inspireren. Een fotograaf en een dichter; geen ongebruikelijke combinatie. Maar in dit geval bijzonder. Hettinga, die opgroeide in dezelfde streek, is in de loop van zijn leven vrijwel blind geworden. Ook voor hem is dat Friese landschap een herinnerd landschap.