Die ‘glijdende schaal’ is nu juist de oplossing

Elke woensdag bespreekt Rob Wijnberg een filosofisch dilemma naar aanleiding van een actuele gebeurtenis.

Vandaag: is de ChristenUnie dogmatisch over abortus?

Na een ongewoon fel debat in de Tweede Kamer over embryoselectie, is een van de meest ingewikkelde ethische dilemma’s nu ook onderwerp van hevige publieke discussie geworden: abortus. Staatssecretaris Jet Bussemaker (Volksgezondheid, PvdA) was voornemens om embryoselectie toe te staan voor embryo’s die door genetische aanleg een hoog risico lopen op ernstige ziektes, zoals borstkanker. De ChristenUnie was mordicus tegen, waarop de staatssecretaris het plan terugtrok. Bijna iedereen viel over de fractie van vicepremier André Rouvoet heen: hoe kon de ChristenUnie zo dogmatisch zijn in een kwestie over leven en dood? Gynaecoloog Hans Evers hekelde in deze krant de „christenfundamentalisten” die hun gelijk proberen te halen „over de rug van ernstig zieke mensen” (nrc.next, 4 juni).

Nu is aan de ene kant de harde kritiek op de ChristenUnie begrijpelijk. Door haar standpunt ontneemt ze mensen de mogelijkheid om kinderen te krijgen die een kankervrij leven tegemoet kunnen zien. Des te hypocrieter is het dat de partij bij ondertekening van het regeerakkoord wél instemde met de reeds bestaande abortuspraktijk – zo principieel tegen abortus was ze destijds blijkbaar niet. Maar aan de andere kant is het verwijt dat de ChristenUnie zich ‘dogmatisch’ of zelfs ‘fundamentalistisch’ opstelt, ook te gemakkelijk. Abortus is niet voor niets één van de meest ingewikkelde moraalfilosofische kwesties denkbaar. Het antwoord op de vraag vanaf wanneer abortus wel of niet gerechtvaardigd zou zijn, is zo afhankelijk van ‘metafysische’ aannames, dat dogmatisme uiteindelijk onvermijdelijk is.

Ten grondslag aan de abortuskwestie liggen twee bijna onbeantwoordbare vragen. De eerste luidt: wanneer is er sprake van een ‘persoon’ die recht heeft op morele inachtneming? Of, anders gezegd: vanaf welk moment heeft een foetus het onvervreemdbare recht op leven, zoals een reeds geboren mens dat ook heeft? Tegenstanders van abortus stellen simpelweg: het recht op leven geldt van meet af aan. Abortus is dus nooit toelaatbaar, vinden zij. Maar critici wijzen er terecht op dat een foetus in eerste instantie nog niet de eigenschappen bezit die het hebben van rechten zouden kunnen rechtvaardigen; het heeft nog geen bewustzijn, geen gevoel en vertoont zelfs geen hersenactiviteit. Zou een embryo dan toch al het recht op leven hebben, dan zouden alle levende wezens – van bacteriën tot planten – dat recht toekomen. Dat criterium is dus onhoudbaar.

Voorstanders van abortus stellen dan ook meestal dat een embryo in eerste instantie slechts een ‘klomp cellen’ is die nog geen rechten toekomen. Maar op welk moment wordt deze ‘klomp cellen’ dan wel een ‘echt mens’? Een veelgehoord antwoord is: wanneer het embryo bewustzijn heeft ontwikkeld. Maar ook dit standpunt is problematisch: als bewustzijn het criterium is voor het recht op leven, dan zou dat recht aan bijvoorbeeld comapatiënten weer niet toekomen.

Tegenstanders van abortus gooien het daarom vaak over een andere boeg. Zij stellen dat een foetus misschien nog geen rechthebbend persoon is, maar wel de potentie heeft om het te worden. Ze vinden abortus dus moord op een ‘toekomstig’ mens. Critici noemen het potentieargument echter te ruim: ook sperma en eitjes zouden ‘in potentie’ mensen kunnen zijn. Is een gebruikt condoom weggooien dan ook moord? Een verweer tegen die kritiek is dat zaad- en eicellen afzonderlijk geen mens kunnen worden; pas als ze samensmelten is er sprake van een potentieel mens.

Maar dan nog blijft de vraag of ‘potentie’ voldoende grond is om een embryo het onvervreemdbare recht op leven te geven. Want, zoals de ethicus Margaret Olivia Little constateert in haar essay The Moral Permissibility of Abortion (2006): het traject dat het embryo nog moet afleggen om daadwerkelijk een mens te worden is volledig afhankelijk van een ander persoon, namelijk de moeder. Het potentieargument is volgens Little daarom „misleidend”. Want, de potentie om mens te zijn schuilt niet in het embryo: zonder de moeder is er van een potentieel mensenleven helemaal geen sprake.

En daarmee zijn we bij de tweede haast onbeantwoordbare vraag aanbeland, namelijk welk recht dan zwaarder telt: het recht op leven van het ongeboren kind, of het recht op zelfbeschikking over het eigen lichaam van de moeder? Dat het recht op leven per definitie voorrang heeft op de zelfbeschikking van de moeder, is praktisch onhoudbaar. Een vrouw die bijvoorbeeld zwanger is geraakt na een verkrachting heeft toch zeker het recht om de zwangerschap te beëindigen. Maar dan is de vraag: geldt dat dan ook voor zwangerschappen die niet gedwongen, maar wel ongewenst waren? En wat nu als iemand financieel, lichamelijk of geestelijk niet in staat is om een kind te verzorgen? De zelfbeschikking van de moeder kan daarentegen óók niet absoluut zijn, want dan zou iemand het kind na bijvoorbeeld acht maanden zwangerschap nog kunnen laten weghalen.

Margaret Little leidt uit het voorgaande af dat elke poging om te bepalen op welk ‘moment’ abortus wel of niet is toegestaan uiteindelijk „dodelijk arbitrair” is. En ook genetica-expert Hans Galjaard concludeerde afgelopen weekend in NRC Handelsblad dat er „geen criteria” voorhanden zijn om te bepalen wanneer embryoselectie gewenst is of niet. De opstelling van de ChristenUnie is dus wel dogmatisch, maar eigenlijk is iedere stellingname in deze kwestie dat. Wanneer iemand een ‘rechthebbend persoon’ is en welk recht het zwaarste weegt, blijft immers een kwestie van betwistbare aannames over wat het betekent om ‘mens’ te zijn en om ‘rechten’ te hebben.

Little stelt daarom voor om de zoektocht naar het ‘moment’ waarop abortus gerechtvaardigd is te staken. In plaats daarvan, zegt zij, moeten we een ander vocabulaire aannemen: we moeten niet spreken van „vaststaande momenten”, maar van „gradaties”. Op die manier kan recht worden gedaan aan de morele intuïtie dat „een mensenleven een morele waarde heeft die sterker wordt naarmate de ontwikkeling ervan vordert”. Immers, zegt Little, een miskraam wordt ook als „een steeds groter verlies ervaren naarmate de zwangerschap langer duurt”.

De vraag wanneer abortus gerechtvaardigd is, kan op deze manier dus niet eenduidig worden beantwoord. Maar de suggestie van Little geeft wel een belangrijk inzicht. Door niet langer in ‘vaststaande momenten’ maar in ‘gradaties’ te denken, wordt de angst voor de zogenoemde ‘glijdende schaal’ ongegrond. In die schaal schuilt namelijk niet zozeer het gevaar, maar eerder de oplossing: het dient als onze intuïtieve morele stok achter de deur. Want, juist het feit dat we van een ‘glijdende schaal’ spreken, toont het diepgewortelde morele gevoel dat sommige redenen voor abortus méér overtuigingkracht hebben dan andere.

De kritiek dat het verwijderen van embryo’s met 80 procent kans op borstkanker uiteindelijk zal leiden tot het weghalen van kinderen die niet ‘knap’ genoeg worden gevonden, is in die zin dus een drogreden: het ontkent immers de ‘glijdende schaal’ waar het zelf voor waarschuwt. Want, het suggereert dat er van een ‘schaal’ eigenlijk geen sprake is; alsof mensen het uiterlijk van het kind evenzeer een reden kunnen vinden om abortus te plegen als een ernstige, erfelijke ziekte. Het omgekeerde is eerder waar: juist de ‘glijdende schaal’ behoedt ons voor dergelijk moreel verval.

En daar lijkt de grote zwakte van het standpunt van de ChristenUnie te zitten. Door onwrikbaar het recht op leven van het embryo te verdedigen, suggereert de partij dat mensen – wanneer het eenmaal zou worden toegestaan – om de meest triviale redenen abortus zouden plegen. Dat getuigt van weinig vertrouwen in het geweten van mensen en doet ook geen recht aan de praktijk: abortus wordt uiteindelijk toch gepleegd om een bepaald lijden te voorkomen. Beter gezegd, om lijden niet te veroorzaken. Want zoals de Amerikaanse sociologe Barbara Katz Rothman (1948) in haar boek Recreating Motherhood (1989) stelt: „Abortus is geen keuze om te vernietigen, maar een weigering om te creëren”. En als je een ernstige erfelijke ziekte hebt, lijkt mij die weigering toch terecht.