Wie sterft eerst?

Laagopgeleide armen sterven eerder dan hoogopgeleide rijken. Dat is in heel Europa zo.

„In Oost-Europa is het verschil geëxplodeerd.”

Hongaarse slager snijdt een varken voor een traditioneel feest. Foto AFP A Hungarian butcher chops up a slaughtered pig, on a traditional family pig butchering day, in a farm in Makad 26 January 2008. Pork features prominently in traditional Hungarian cuisine and the slaughter of pigs is a thriving cottage industry in the countryside during winter AFP PHOTO BALINT PORNECZI/STR AFP

De sterfteverschillen tussen hoog- en laagopgeleide mensen zijn in het ene Europese land wel twintigmaal groter dan in het andere. De Oost-Europese landen kennen de grootste verschillen; de Zuid-Europese landen de kleinste.

Dat blijkt uit een vergelijking van sociaal-economisch bepaalde gezondheidsongelijkheid in 22 Europese landen. De studie is uitgevoerd door de groep van prof. dr. Johan Mackenbach van het Erasmus MC in Rotterdam en verscheen vorige week in The New England Journal of Medicine.

„De gezondheidskloof tussen mensen met een hoge en een lage sociaal-economische status wordt dieper”, concludeert Mackenbach. „Tenminste, als ik onze cijfers vergelijk met die van tien jaar geleden toen we een kleiner onderzoek deden, in tien Europese landen. De diepere kloof zien we in alle landen, maar in Oost-Europa is het verschil geëxplodeerd.”

Iemand met een lage ‘sociaal-economische status’ (SES) heeft een laag opleidings- en inkomensniveau en is handarbeider. De hoogste SES combineert een hoge opleiding, een goed inkomen en intellectueel werk. Wanneer gegevens daarover worden gerelateerd aan sterfte, ziekte en riskante leefgewoonten, ontstaat inzicht in de sociaal-economische gezondheidsverschillen.

De kloof tussen hoge en lage SES in Oost-Europa bestaat doordat laagopgeleiden er meer roken en vaker te veel alcohol drinken, maar ook doordat voor lageropgeleiden de toegang tot de gezondheidszorg slechter is. Mackenbach: „Dat zien we doordat er relatief meer mensen met een lage SES sterven aan ziekten die in principe te voorkomen of genezen zijn, zoals bijvoorbeeld hersenberoerte.”

Het grootste verschil in sterfte binnen Europa bestaat onder Hongaarse mannen, het kleinste verschil vonden de onderzoekers bij vrouwen in Spaans Baskenland. Per 100.000 laagst opgeleide mannen in Hongarije sterven er 3.400 per jaar. De sterfte onder de hoogst opgeleide Hongaren is veel lager: 820 per 100.000 per jaar. Het verschil binnen Hongarije is dus 2.580 per 100.000. Onder Baskische vrouwen varieert de sterfte maar met 51: van 397 onder de hoogst opgeleiden, tot 448 per 100.000 per jaar bij de laagstopgeleiden.

Mackenbach: „Hier vergelijk je mannen met vrouwen in verschillende landen. Dan is het verschil maar liefst een factor vijftig. Als je mannen met mannen vergelijkt kom je binnen Europa tot een twintigvoudig verschil.”

Het sterfteverschil is niet alleen in Baskenland klein, maar in heel Zuid-Europa. Ook vergeleken met Noord- en West-Europese landen. „Dat heeft ons verbaasd”, zegt Mackenbach, „want de sociale zekerheidsstelsels, waaronder de ziektekostenverzekering, zijn in het noorden royaler dan in het zuiden.”

In Noord- en West-Europa heeft, in tegenstelling tot Oost-Europa, de gezondheidszorg nauwelijks invloed op de sterfteverschillen tussen hoge en lage SES. Dat is een teken dat de zorg voor iedereen goed toegankelijk is. De verschillen worden vooral bepaald door een gezonde of ongezonde leefstijl: roken, vetzucht en ongezond eten. Met gezondheidsvoorlichting wordt geprobeerd die ongezonde leefstijl te veranderen. „Die gezondheidsbevordering was vooral cognitief”, zegt Mackenbach. „Daarmee bereik je mensen die de boodschap kunnen begrijpen en die horen over het algemeen tot de groep met de hogere sociaal-economische status. Dat heeft waarschijnlijk de kloof verdiept.”

Tot de eeuwwisseling liep Nederland binnen Europa voorop met de bestrijding van gezondheidsverschillen. Mackenbach: „In de jaren negentig kwamen buitenlanders hier kijken hoe we probeerden de gezondheidskloof tussen rijk en arm te dichten. Sindsdien is het onderwerp blijven liggen.”

Hoe het wel kan, laat Groot-Brittannië zien. Mackenbach: „Daar is men met een grote inhaalslag bezig. Er zijn antirookklinieken geopend in achterstandsgebieden. De mensen die daar werken zoeken de rokers op die willen stoppen. En geven ondersteuning. Zulke klinieken hebben inmiddels een bewezen stopeffect.”