Tenger, lenig en razendsnel

De anonieme wegrenner Jenning Huizenga haalde dit jaar zilver bij het WK-baan.

De Friese achtervolger gaat naar Peking als kanshebber op olympisch goud.

Jenning Huizenga „Ik ben van nature heel lenig. Ik kan mijzelf heel klein maken en uren in die houding fietsen.” Foto Bas Czerwinski 05-06-2008, Alkmaar. Jenning Huizenga. Foto Bas Czerwinski Czerwinski, Bas

Bondscoach Peter Pieters keek eind 2006 raar op toen een jonge wielrenner hem langs de weg in Zwanenburg plotseling aanschoot. Jenning Huizenga uit Franeker wilde graag eens op de baan fietsen. Of dat kon. „Kom dinsdag maar om tien uur”, antwoordde Pieters. Hij kreeg er geen spijt van. Een half jaar na zijn eerste rondje op het baantje in Alkmaar werd Huizenga bij de WK vijfde op de individuele achtervolging. Een jaar later werd hij tweede. Inmiddels is hij de trotse nummer één van de wereldranglijst.

Van een anonieme renner op de weg tot een wereldtopper op de baan. Collega’s verbazen zich over de enorme snelheid die Huizenga kan ontwikkelen; hij oogt tenger tussen al die krachtpatsers, zoals wereldkampioen Bradley Wiggins.

Maar Jenning Huizenga zelf blijft nuchter. „Zo’n achtervolging is maar vier kilometer. Ik hoef niet jarenlang elke dag zes uur op de fiets te zitten.” En met zijn 1,85 meter en gewicht van 71 kilo heeft hij zijn lichaam mee. Omdat Huizenga een lichte vorm van hypermobiliteit heeft kan hij zichzelf op de fiets bijna volmaakt aerodynamisch plooien. „Ik ben van nature heel lenig. Ik kan mijzelf heel klein maken en uren in die houding fietsen. De luchtweerstand is bij mij lager dan bij anderen.”

Direct na zijn eerste rondjes in Alkmaar verbeterde hij zich spectaculair, al voelde hij zich aanvankelijk onzeker naast een ster als Theo Bos. „Ik was vooral nerveus dat ik een fout zou maken en de renners in mijn wiel onderuit zou rijden. Het motiveerde me ook wel enorm om achter hen aan te fietsen. Ik geniet van de gedrevenheid van een renner als Theo Bos.”

Toevallig is dat ook een sportman die altijd op zoek is naar noviteiten, naar het beste materiaal. Huizenga liet zijn moeder eens een speciaal fietspak maken van een stof waarvan hij dacht dat die hem sneller zou maken. „Ik had een stof gevonden met ribbeltjesstructuur. Ik wilde een golfbaleffect creëren.” Maar dat bleef uit.

Hoewel Jenning Huizenga als jongen rechtsbuiten was bij sc Franeker, was al snel duidelijk dat hij wielrenner zou worden. „Als ik een etappe in de Tour op tv had gezien, wilde ik de renners ’s middags meteen nadoen op straat, al vanaf het moment dat ik kon fietsen zonder zijwieltjes.” Hij was ook anders dan zijn leeftijdsgenoten. „Als we op het schoolplein voetbalden was ik eigenlijk al veel te fanatiek.” Toch had hij als voetballer „absoluut geen talent”.

Schaatsen ging hem beter af. Hij trainde een tijd in Thialf, onder anderen met zijn iets jongere provinciegenoot Sven Kramer „die toen nog geen bijzondere schaatser was”. Huizenga zelf moest het meer hebben van zijn enorme vermogen dan van zijn techniek. Als wielrenner kwam dat fysieke vermogen wel tot uiting, zeker toen hij overstapte naar de baan.

Bovendien was hij opgegroeid met verhalen over Tiemen Groen, in de jaren zestig vier keer op rij wereldkampioen achtervolging. Dat de Fries op zijn 22ste stopte, antiquair werd en naar Zuid-Afrika emigreerde, droeg alleen maar bij aan de mythevorming.

Drie maanden geleden stond Huizenga oog in oog met hem, tijdens een trainingskamp bij Paarl, niet ver van Kaapstad. Het werd een bijzondere ontmoeting, dankzij teammanager Piet de Wit, die Groen nog kende. Huizenga: „Ik stond mijn bidon te vullen toen Groen kwam aanrijden. Hij vroeg of ik familie was van Hein Huizenga, mijn opa. Eind jaren zestig bezochten ze samen antiekbeurzen. Groen wist dat ik renner was geworden. Hij reed de hele dag achter ons aan en gaf bidonnetjes aan.”

Dankzij zijn opmars als achtervolgingsspecialist is Huizenga in Peking favoriet voor een medaille. Mogelijk gaf het laatste WK al een voorproefje van de gedroomde olympische finale. Huizenga kreeg de Manchester Velodrome stil toen hij in de series te sterk bleek voor olympisch kampioen Bradley Wiggins. Pas in de finale, tussen hetzelfde tweetal, stelde de Engelsman orde op zaken en prolongeerde hij zijn wereldtitel. „We zijn redelijk aan elkaar gewaagd. Als Wiggins in Peking 99 procent is en ik 101, kan ik goud halen.”

Huizenga zag zijn concurrent de afgelopen weken vrijwel dagelijks op tv, in de Ronde van Italië. En elke keer als hij hem vanuit Franeker zag fietsen dacht hij: „Prima, wat mij betreft mag je elke dag zes uur fietsen. Al die uren kun je niet op de baan trainen.”

Dat Huizenga al zijn energie steekt in het baanrennen is deels noodgedwongen, erkent hij. „Wiggins verdient bakken geld op de weg.” Huizenga zelf hoopt ook profrenner te worden op de weg, met behoud van zijn baancarrière. „Van de baan kun je niet echt goed leven. Ik kan redelijk uit de voeten op de weg, al heb ik nog geen grote staat van dienst. Ik kan in kleinere rondes meekomen, een proloog rijden.”

In het voorseizoen traint hij veel op de weg, om zijn uithoudingsvermogen te vergroten. Vanuit Franeker rijdt hij een paar keer per week zijn rondje-Friesland, via Harlingen, Workum, Oudemirdum, Lemmer, Sneek en Bolsward weer naar huis.

Die kilometers moeten hem helpen Wiggins te verslaan in Peking. Maar de Chinese baan valt niet te vergelijken met de razendsnelle Velodrome in Manchester. „De baan in Peking heeft relatief korte bochten, waardoor je minder hard rijdt. Dat is niet gunstig. Ik heb het meest aan hoge snelheden.”

Die snelheid had hij in Manchester wel, zo merkten zijn teamgenoten tijdens de ploegachtervolging. Huizenga reed zo hard dat zijn ploeggenoten hem vroegen wat langzamer te starten. Maar daardoor liep de ploeg een fatale achterstand op. Ze werden achtste. „Mijn topsnelheid en mijn startsnelheid liggen iets hoger dan bij de anderen. Achteraf hadden we wel voluit moeten starten. Je kunt nergens eentiende laten liggen.”

Zijn medaillekansen liggen op de individuele achtervolging. „Engeland is veel beter op de ploegachtervolging, dus eerste kun je niet worden. Dan heb je Denemarken, Nieuw Zeeland, Australië. Als alles super gaat en een ander maakt een fout, kunnen we derde worden. Dat is een beetje zuur.”

Dit is deel 4 van een serie olympische portretten. Lees eerdere delen op nrc.nl/olympiërs.