Plattelandsagressie

Niet alleen in de Randstad merkt de automobilist de effecten van verkeersopstoppingen. Ook in het verkeer op het platteland doet zich lompheid voor.

Anderhalf jaar na onze verhuizing van Amsterdam naar het Groningse platteland moest ik tot mijn spijt concluderen dat de weggebruikers hier net zo ongeduldig zijn als in de Randstad. Tot ik op een zonovergoten vrijdagnamiddag getuige ben van de volgende gebeurtenis. En met mij nog vier zwijgende bezoekers van de snackbar, die overdag een slagerij is.

De slagerij-snackbar ligt aan de drukke hoofdader van ons dorp. Om te voorkomen dat deze 30 km-zone een racebaan wordt, mag op bepaalde plekken aan beide kanten worden geparkeerd. Het is een effectieve snelheidsbeperking.

Aangezien voor de groenteboer slechts incidenteel en voor de slagerij meestal een of meerdere auto’s staan, durf ik te concluderen dat vleeseters wat gemakzuchtiger van aard zijn. Op de late vrijdagmiddag, als de slagerij een snackbar is geworden, staat er steevast een verkeersobstakel. Maar dat wekt geen verbazing, omdat iedereen weet dat de gemiddelde snackbarbezoeker een aartsluie en vetzuchtige vreetzak is. En dat de snackbuit zo snel mogelijk op tafel moet komen. Soms staat de auto nog te ronken voor de snackbar.

De regel bij deze obstakels is vanzelfsprekend: de automobilist die op zijn weghelft een geparkeerde auto treft, moet de tegenligger doorgang verlenen. Dus moet de zilvergrijze BMW van de oude buurman deze keer wachten. Denkt ook de toerist die hem tegemoet komt, een bebrilde gezinsman in een volgestouwde stationcar. De oude buurman vindt dat hij eerder was en passeert de auto aan zijn kant. Niet eerder zag ik de in deze provincie vaak gebezigde strijdkreet ‘Kop der veur’ zo treffend geïllustreerd.

Alle hoofden in de snackbar zijn nu gedraaid in de richting van de twee blikken stieren die op het midden van de weg dreigend tegenover elkaar staan. De toerist lacht, heeft het gelijk aan zijn zijde en maakt geen aanstalten om de BMW doorgang te verlenen.

Maar dit wordt geen kwestie van gelijk, maar van wie het meeste geduld heeft. Want buurman zet de motor af en stapt rustig uit. Weerbarstige kop, vuile werkkleding. Eén brok onverzettelijkheid van ten minste zeventig, maar waarschijnlijk al tachtig jaar. Op zijn zwarte klompen loopt hij naar de achterkant van zijn auto. Nu gaan we het krijgen, denk ik. Hij heeft natuurlijk altijd gereedschap bij zich en haalt een moker of een hooivork uit zijn kofferbak. Maar de oude man loopt achterlangs naar de deur aan de andere zijde en ontgordelt de bijrijder. Hij trekt een jochie van twee turven hoog uit de stoel, zet hem met een sierlijke boog op straat, laat de deur openstaan en gaat een stukje wandelen. Ondertussen heeft zich een aanzwellende rij auto’s gevormd, die opvallend geduldig is. Afgezien van de driftig toeterende chauffeur in de touringcar, die superieur wordt genegeerd. Daar gaan ze: opa en kleinzoon, op hun dooie gemak, hand in hand.

Ze passeren de tegenligger. „Ik ga niet aan de kant hoor”, zegt opa rustig.

De toerist lacht en beseft dat zijn tegenligger in staat is om zijn auto op deze plek achter te laten en desnoods wandelend naar de plaats van bestemming te gaan. Hij neemt zijn verlies en zet zijn stationcar in de achteruit.

Buurman brengt zijn kleinzoontje terug naar zijn zetel, wandelt terug naar zijn stoel en vervolgt zijn weg op de andere weghelft. In de snackbar draaien de hoofden weer zwijgend naar de frituurdamp en de witte tegels op de vloer.