Oranje gips!

‘Ik ben vrijwillig aangewezen”, zegt Peter van ’t Hof. Zijn kleindochter heeft een zere teen. Gestruikeld over een boom. Nu zitten ze op de afdeling spoedeisende hulp van het Rode Kruisziekenhuis in Beverwijk. „Ik hoop dat de uitslag van de röntgenfoto snel komt, dan kan ik de tweede helft nog zien”, zegt opa Van ’t Hof net als Nederland-Italië begint. „Als mijn teen gebroken is, wil ik donkerblauw gips”, zegt zijn kleindochter Maaike. Opa kijkt verbaasd. „Weet je tegen wie Oranje speelt”, vraagt hij. „Tegen Italië”, zegt Maaike. „En de kleur van de Italiaanse shirts is?” vraagt opa streng. „Oh, sorry. Ik wil oranje gips”, zegt Maaike haastig. Later blijkt op de foto dat de teen niet is gebroken en Peter van ’t Hof is nog op tijd thuis voor de tweede helft.

Tijdens dit soort wedstrijden is het altijd „extreem rustig”, vertelt Maarten Kok, spoedeisende hulparts. „Alle kulklachten worden even uitgesteld”, vult zijn collega Hester Tichler aan. Ze zitten in de koffiekamer van de spoedeisende hulp en rusten even uit. In de aanloop is het extra druk en van drie uur ’s middags tot acht uur ’s avonds was het dan ook „een gekkenhuis”, vertelt verpleegkundige Daphne Dognaar.

Voor het ziekenhuis wordt gerookt en wordt de wedstrijd intensief voorbesproken. Een Italiaanse patiënt heeft het azuurblauwe shirt van zijn geboorteland aangetrokken. „Ik woon al veertien jaar in Nederland, maar mijn hart blijft Italiaans.” Er worden weddenschappen afgesloten. Nederland blijkt favoriet.

Tijdens de eerste helft komt Mark („ik ben een fan van Oranje”) steeds even kijken. Zijn „maatje” Claudia is net opgenomen. Na de wedstrijd Frankrijk-Roemenië gingen ze met „paar maten even een potje spelen”. Claudia speelde „voor het eerst mee”, ze viel, probeerde de val te breken met haar arm, maar die brak en schoot uit de kom. „Sneu hè”, zegt Mark, die kaartjes heeft voor de finale. „Maar 3-0 verzacht de pijn.”

Cees Banning