Kortsluiting

De foto was van een bizarre schoonheid. Vrijdag sierde ze de voorpagina van dagblad De Limburger.

Laat ik beginnen met het meisje. Ze draagt een oranje truitje en is blond. De gezichtsuitdrukking zou ik willen typeren als serene sipheid. Een gloed, spookachtig als in de Bohemian Rhapsody-video van Queen, valt over haar. Ze poseert met een medaille, schuin voor zich gehouden. Het lint ligt om haar nek.

Het meisje bevindt zich in een kleine ruimte. In het flauwe schijnsel op de muur en het plafond ontwaar ik brand- en blussporen. Van een kast is verf gebladderd. Op een tafeltje ligt een rond ding dat aan een schilderspalet doet denken met zwarte klodders. Geen plek om met een medaille te poseren, dacht ik. Ik begon te lezen.

Terwijl ze in de sporthal van haar club aan het trainen was voor het Nederlands kampioenschap brak er brand uit op het slaapkamertje van de zeventienjarige topturnster Robin van den Kroonenberg uit Maasbracht. Kortsluiting in een ventilator. Ruim zeventig trofeeën, in twaalf jaar gretig bij elkaar geturnd, zijn zwaar aangetast of voorgoed verloren. „Ik heb flink moeten huilen”, vertrouwt Robin de verslaggever toe. Deze bezigt verder het accurate woord ‘ontroostbaar’. De medaille van de voorpagina was gespaard gebleven omdat die toevallig in de huiskamer hing.

Mijn vrijdagochtend begon op weke knieën. „Dat was vast zo’n Chinese ventilator van een euro of twintig”, sneerde ik in gedachten richting Robins ouders. Redelijkheid keerde gelukkig snel terug.

Robin zit natuurlijk net op de grens. Rond hun zeventiende verliezen sportmensen hun interesse in trofeeën. Wanneer er naar gevraagd wordt, ja zelfs naar Olympische medailles, zeggen ze: „O, die liggen ergens in een la.” Of op zolder. Of ze zijn verkocht. Het gaat hen niet om tastbare trofeeën. Het gaat om de subtiele herinnering, het breekbare moment van glorie. Daarbij, sporttrofeeën zijn de lelijkste attributen op aarde. Sportmensen schromen er soms niet voor die dingen uit de geopende portierramen van hun auto’s te gooien – een praktijk die mij overigens een fractie te ver gaat.

Ik zou Robin een troostrijk verhaal kunnen vertellen. Het speelt in de tijd dat ik soms met de trein naar wielerkoersen reisde.

De trofee lag in het bagagerek. Ze was te groot voor mijn rugzak, en ze was zo lelijk dat ik me ervoor schaamde. Bij een tussenstop plaatste ik haar snel maar decent op een leeg dorpsperron.

Een paar dagen later stond een glunderende man aan de voordeur. Met de trofee. Via de uitslagen in de krant had hij de eigenaar kunnen identificeren. In het telefoonboek had hij het adres opgespoord. Helemaal uit Roermond kwam de man. Ik vergoedde de eerlijke vinder zijn trein- en buskaartjes, royaal naar boven afgerond.

Dát zal je maar gebeuren.