Jockey met plastic slofjes op wit paard

Arm en rijk komen wekelijks samen op de paardenrenbaan van de Malinese hoofdstad. In de brandende zon wordt gestreden om de rode kampioensvlag.

Deelnemers aan aan de paardenrace prepareren zich met enkele rondjes voordat ze naar de startlijn gaan. Foto Pauline Bax Bax, Pauline

De premier heeft er zijn paard gestald, onder een ventilator aan een golfplaten plafond. Een kleinzoon van de eerste president van Mali heeft er een hele nieuwe stal gebouwd, de mooiste van de renbaan, het best in de verf. De hengsten van de minister staan op een binnenplaats waar een stalknecht driftig wappert met een handwaaier om het vuur onder een bolle kookpot aan te wakkeren. „Ik ben gek op paarden, ik kan er de hele dag naar kijken,” zegt Oumar Noumansana, een 44-jarige rijke kippenboer, terwijl hij zich met een lome geeuw terug in zijn ligstoel laat zakken. De rondleiding is voorbij.

Noumansana schopt zijn gymschoenen uit en strekt zijn voeten in het zand. Hij gaat nog even van de rust genieten voordat de race begint. Naast zijn Honda staat Olympique, de hengst die vorige week winnaar werd en straks de rode kampioensvlag moet verdedigen. De zon brandt zo fel dat al het leven in Bamako, de hoofdstad van Mali, stilgevallen lijkt. Maar schijn bedriegt. Op de wasplaats schraapt een jongen met ontbloot bovenlijf het laatste water van een witte vacht.

Nog geen twee uur later is de sfeer elektrisch geladen. Rond de tribune van kaal beton staat een haag van fruitsapverkoopsters. Minstens honderd buurtjongetjes zitten opgewonden kletsend te kijken op de muur rond het ‘internaat’, de kraal waar de renpaarden worden gezadeld. De jockeys rijden een of twee rondjes stapvoets in de kraal voordat ze richting startlijn gaan. Uitgebreid opwarmen hoort niet bij de gewoontes.

De meeste jockeys komen uit de buurt en zijn amper tien, twaalf jaar oud – kinderen in felgekleurde satijnen bloezen, goedkope sportsokken rond de kuiten, de voeten gestoken in afgetrapte gymschoenen of plastic slofjes. Een van hen draagt zwarte ballerina’s.

De winnende jockey krijgt 35 procent van het prijzengeld van maximaal 80 euro, dat hij moet delen met de coach. Er worden drie races gehouden vandaag: de gevorderden rennen 2.200 meter, de kampioenen 2.400 meter, en de beginnende, onervaren paarden sluiten af met een race van twee kilometer. Toegang vijftig cent, kinderen een stuiver.

De paardenrenbaan van Bamako is een dorp van 35 hectares middenin de stad. De ingang ligt verscholen tussen een middelbare school en een nachtclub met plastic palmbomen voor de gevel. Arm en rijk komen hier iedere zondag samen, verenigd door de liefde voor het paard, dat een bijzondere plaats inneemt in de kurkdroge Sahelstreek. Al in de 12de eeuw was de cavalerie het belangrijkste onderdeel van de legers waarmee koningen ten strijde trokken. De huwbaarheid van een jonge man werd ermee getest: kon hij voor een paard zorgen, dan kon hij voor een vrouw zorgen. „Iedere familie had zijn eigen paard”, zegt Ousmane Sylla, ooit een succesvol voetballer, nu voorzitter van de hippische federatie. „Wij denken: paarden brengen geluk.” Vooral witte paarden, die hij als Daffé aanduidt. In Mali wonen paarden praktisch in bij hun eigenaars, meestal op het erf, één hoef vastgebonden aan een paaltje in de grond. In het hippodroom is het andersom, al blijft het samenlevingsprincipe hetzelfde: verzorgers, trainers en gepensioneerde jockeys wonen op het terrein in oude paardenstallen, vlak ernaast zijn voor de dieren nieuwe onderkomens gebouwd.

De renbaan werd aangelegd door het Franse koloniale regime in 1947, maar de races pasten naadloos in een eeuwenoude traditie. Dankzij de Malinese passie voor paarden, en misschien ook wel voor gokken, heeft het hippodroom de oprukkende stad tot dusver overleefd. Hoewel het paard als statussymbool aan populariteit heeft ingeboet – de rijken kopen tegenwoordig liever een terreinwagen – vinden veel jonge handelaren het toch wel chic om een eigen stal te hebben.

Jammer, zucht Ousmane Sylla, dat het zo duur is om de boel eens grondig op te knappen. Nalatigheid, geldgebrek en de tijd hebben de baan veranderd in een stoffig zandpad vol hinderlijke keien. De omheining is afgebrokkeld, de nieuwe tribune die eind jaren tachtig uit de grond gestampt werd door de tweede man van het voormalige militaire regime werd nooit afgebouwd. Maar op zondagen als deze is precisie geen prioriteit.

Een vrijwilliger tuft op zijn brommer naar een bocht in de renbaan, trekt met zijn voet een startlijn in het zand, kijkt of alle paarden zo’n beetje in de buurt zijn, en geeft het vertreksein met een versleten rode vlag. Een uitzinnig gejuich begroet de paarden bij de finish, ook een streep in het zand. Nog voordat het laatste paard binnen is, stuift het publiek massaal de renbaan op om de winnaar te onthalen.

Kippenboer Oumar staat langs de finishlijn met een oranje stopwatch in de hand. Eindigde de winnaar van de kampioensrace op tien of elf seconden? Oumar houdt zijn stopwatch omhoog en zegt tien, voorzitter Ousmane Sylla, die ook de tijd bijhield, denkt elf. „Oké dan, laten we het op elf houden”, zegt Oumar toegeeflijk. Aan een 83-jarige gepensioneerde jockey de eer om de rode kampioensvlag uit te reiken. De vlag gaat naar ‘De Tijdloze Ruiter’, de stal van een jonge ondernemer. Olympique is slechts derde geworden. „Mijn paard had vandaag zijn dag niet”, zegt Oumar. „Nou ja, volgende week beter.”