Ik leef nu voor mijn kinderen, dat is meer dan genoeg

De Colombiaanse regering helpt ex-leden van de FARC een nieuw leven opbouwen.

Ze krijgen psychologische hulp en een huis. Maar ook aan de slachtoffers is gedacht.

Tien deserteurs van de Colombiaanse guerrillabeweging FARC leveren hun wapens in. Ze demobiliseerden nadat hun commandant Karina zichzelf had overgegeven. Foto AFP Tien deserteurs van de Colombiaanse guerrillabeweging FARC leveren hun wapens in tijdens een legerceremonie in de stad Medellín. Ze demobiliseerden nadat hun commandant Karina zichzelf overgaf. Foto AFP Members of the Revolutionary Armed Forces of Colombia (FARC) surrender their weapons to the Colombian Army on June 6, 2008 in Medellin, Antioquia Department. Ten FARC guerrillas handed in their AK-47s after their leader, alias "Karina", demobilized on May 19. AFP PHOTO/Raul ARBOLEDA AFP

Een lift? Hoe werkt dat? Een automaat die geld uitspuwt? Een grap zeker? Een stadspark waar families in hun vrije tijd ontspannen? Waarom doen ze dat? In de rij staan in een supermarkt? Is dat nodig?

Voor veel deserterende leden van Colombia’s oudste en grootste guerrillabeweging FARC is de eerste confrontatie met de grote stad een hard gelag, na een leven in de jungle. Alsof ze na een jarenlange slaap ontwaken in een ander tijdperk. Zoveel auto’s en lawaai. Kruispunten met gekke, rode, gele en groene lampen. Zebrapaden.

Het is een bizarre ervaring voor de vaak ongeletterde mannen en vrouwen. Ook de 36-jarige José Orlando moest – zacht gezegd – wennen. Ruim zeventien jaar was Orlando toen hij als analfabete boerenzoon lid werd van de FARC (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia). De rimboe was vervolgens zijn thuis, zestien jaar lang.

Over zijn rechterschouder hing de vertrouwde AK-47. Een goed wapen met een behoorlijk bereik. Op zijn rug een tas met munitie. Nu gebruikt Orlando zijn lichaam voor andere zaken. In zijn woonwijk in Bogotá sjouwt hij dagelijks met zijn Haceb wasmachine (17 liter) op de rug naar klanten die er wasjes in draaien.

Santa Rosa, de buurt van Orlando, ligt hoog tegen de bergen opgebouwd, aan de buitenkant van de miljoenenstad Bogotá. Smalle steile straatjes. Kleine huizen. Blaffende straathonden. Een schooltje. Een bakker. Een parkeerplaats met oude, afgeragde auto’s. „Die bruine daar”, zegt Orlando terwijl hij naar een jarenzeventigmodel wijst, „is van mij”.

Orlando is één van de grofweg 33.000 voormalige guerrillero’s en paramilitairen die deelnemen aan het reïntegratieprogramma van de regering. Eerst vielen deze herintreders onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Sinds 2006 is het programma ondergebracht bij de Hoge Commissie voor Reïntegratie, die onder de president valt.

Het oude programma hield niet meer in dan een paar maanden financiële steun en een baantje. Begeleiding was er amper, een stabiele omgeving was afwezig. Een moeilijke overgang voor mensen die lange tijd in een gesloten cultuur van discipline hebben geleefd, vaak van kinds af aan. Plotseling op eigen benen staan, zelf verantwoordelijk zijn voor je daden – dat is dan moeilijk. In 2006 intensiveerde de regering-Uribe haar aanpak. Met een jaarbudget van 250 miljoen dollar en 700 medewerkers is de inzet hoog.

De deelnemers – meestal gewone voetsoldaten – krijgen psychologische begeleiding en een verplichte opleiding. Ze moeten zich leren gedragen in de maatschappij en hun wordt bijgebracht hoe je een familieleven leidt. Hun politieke idealen zijn ze kwijt, dromen hebben ze eigenlijk niet.

Ook hun families worden bij het programma betrokken: om de cohesie te versterken en de kans op terugval te verkleinen. En er wordt voor woonruimte gezorgd. „Het is niet eenvoudig, je moet er lange tijd bovenop blijven zitten: vijf, zes jaar”, zegt Nastassia Kantorowics Torres, medewerkster van het programma.

De commandanten staat na overgave een ander proces te wachten, als ze verdacht worden van misdaden tegen de menselijkheid. Zoals bijvoorbeeld de vrouwelijke guerrillaleidster van de FARC, Nelly Ávila Moreno, beter bekend als ‘Karina’. Zij gaf zich onlangs over. Ze zal zich moeten verantwoorden voor de zogeheten Commissie voor Justitie en Vrede.

Haar straf zal ze niet ontlopen. Maar die zal wel korter zijn als Karina schuld bekent, aangeeft of ze bezittingen heeft, die overdraagt aan de overheid – én openlijk haar excuses aanbiedt aan nabestaanden van haar slachtoffers. In de gevangenis zitten circa 670 ex-guerrillastrijders en paramilitairen die dit traject volgen.

Dit jaar hebben al ruim duizend leden van de FARC zich overgegeven. De groep kreeg de afgelopen maanden harde klappen te verduren, in het bijzonder de dood van drie belangrijke leiders. Net als José Orlando, zullen de deserteurs moeten meedoen aan gemeenschapsprojecten – zoals het aanleggen van parken. Daarbij worden ook de families van de slachtoffers betrokken.

Dat laatste is noodzakelijk om het verzoeningsproces te stimuleren, de tegenstellingen in de maatschappij te verminderen en scheve ogen te voorkomen. Want het reïntegratieprogramma is relatief riant voor de voormalige strijders, in een land waar veel armoede heerst en talrijke families van slachtoffers van het geweld leven. Voor de laatste groep heeft de regering van president Uribe inmiddels een fonds met geld opzij gezet. Al zo’n 130.000 mensen hebben zich aangemeld bij het fonds.

In Santa Rosa wonen Orlando, zijn vrouw Esperanza en hun vier kinderen nu in een eigen huisje. Van steen, met toilet en bovenverdieping. Met dank aan het programma. Aan de muur in de huiskamer hangt een poster met een afbeelding van Zürich. Een grote koelkast, een magnetron, een televisie, een dvd-speler. „Voorheen had ik alleen mijn kleren. En voedsel voor drie dagen.”

Esperanza schuift even later aan. Roze T-shirt, rode broek, geblondeerd haar en vuurrode lippenstift. Ze is 27 jaar en zat ook bij de FARC, acht jaar lang. Samen met José ontsnapte zij in 2005. Het vertrek was vooral pijnlijk voor José. Hij geloofde in de revolutie. Voor hem stond die boven alles: het streven naar een samenleving zonder armoede waarin iedereen gelijk is.

Het liep uit op een fiasco. Met ontvoeringen en drugstransporten spekte de FARC haar kas, maar het geld ging volgens Orlando niet naar de armen. Verbitterd en gefrustreerd keerde hij de organisatie die zestien jaar zijn surrogaatfamilie was geweest, de rug toe. In de straten van Bogotá moest hij vervolgens ineens zelf beslissingen nemen. En een nieuw ideaal vinden om voor te leven.

Soms verlangt hij terug naar het leven als strijder. Als hij geen kinderen en vrouw had gehad, dan zou hij zich hebben aangemeld bij het leger. Hij zegt: „Maar nu leef ik voor mijn kinderen. En dat is meer dan genoeg.”