Iedereen weet hoe Van der G. heet

Media moeten terughoudend zijn in het gebruik van informatie van internet, vindt de Raad voor de Journalistiek. Zeker als de privacy van mensen in het geding is.

Wat moeten media doen: een verdachte consequent Volkert van der G. noemen, terwijl eigenlijk iedereen weet waarvoor die G. staat? Of voluit de achternaam publiceren die in dit internettijdperk sowieso razendsnel te achterhalen is? Even ‘googlen’ is immers genoeg.

Of: moet een journalist verwijzen naar informatie over derden die voor hen schadelijk kan zijn, bijvoorbeeld naar websites met beelden van het persoonlijk leven van politici of andere bekende Nederlanders?

Over die vragen ging gisteren het debat ‘Aapjes kijken, de media en het recht op privacy’ in Amsterdam. Journalisten, advocaten en ‘slachtoffers’ van privacyschending discussieerden erover.

Volgens voormalig televisiepresentatrice Manon Thomas zijn de media in een rat race verwikkeld. „Ze willen allemaal zo snel mogelijk het nieuws brengen. Daarmee zijn ze hun eigen doelstellingen uit het oog verloren”, aldus Thomas. Van haar verschenen vorig jaar een naaktfilmpje en blootfoto’s op internet.

Televisiepresentator Pieter van der Wielen, die onlangs werd gefilmd door een particulier, terwijl hij in een café zat te zoenen met collega-presentatrice Georgina Verbaan, noemde de aandacht rond die zaak ‘een overdreven circus’. „Het heeft mij erg verbaasd dat ook de serieuze media erover berichtten.” Van der Wielen benadrukt dat niet hij, maar Verbaan het meest last had van de escapade, maar zelf was hij evenmin blij met alle aandacht.

De Raad voor de Journalistiek behandelt volgens secretaris Daphne Koene veel meer klachten over privacyschendingen dan vroeger. Volgens Koene ging vorig jaar 38 procent van de uitspraken van de Raad, een onafhankelijke instantie die klachten over journalistieke uitingen behandelt, over privacy. In 2004 was dat nog 18 procent. Een belangrijke reden voor de toename is volgens de secretaris dat mensen mondiger zijn geworden. De populariteit van internet is een andere oorzaak. Door zoekmachines en online archieven zijn eenmaal gepubliceerde gegevens bijna altijd weer terug te vinden.

Reden voor de Raad haar normen onlangs zo aan te passen dat zij voortaan ook uitspraken kan doen over hoe massamedia gebruikmaken van informatie op internet. Volgens een nieuwe leidraad van de Raad zouden journalisten alleen hyperlinks naar informatie van derden moeten publiceren als die voldoende nieuwswaarde hebben en een algemeen belang dienen. „Media moeten zelf de afweging maken of die informatie een algemeen belang dient”, zei Koene. „Daarmee moeten ze zich steeds realiseren dat dergelijke gegevens mensen kunnen schaden.”

Over wat dat ‘algemeen belang’ is, verschilden de meningen gisteren. Is het bijvoorbeeld van algemeen belang te weten dat een Nijmeegse wethouder seks zou hebben gehad met een mederaadslid? „In principe niet”, zei een deelnemer aan de discussie, „maar wel als hij er politiek gewin door krijgt.”

Daphne Koene: „Er is geen duidelijke grens te trekken tussen wat wel of niet algemeen belang is. Het is aan de media om dat naar eer en geweten te bepalen.”

Op sommige media, zoals de website GeenStijl, is volgens Koene geen grip te krijgen. „Wij waarschuwen mensen die een klacht tegen hen willen indienen altijd. Weet waar je aan begint. Ze publiceren de gewraakte gegevens juist nog een keer, waardoor een klacht een averechts effect heeft.”

Volgens Manon Thomas is internet op zich niet zozeer de bron van het kwaad, maar de anonimiteit van het medium. Thomas: „Mensen kunnen zich daarachter verschuilen. Op die manier zeggen ze veel meer dan ze onder hun echte naam zouden doen.”

Nieuwe leidraad van de Raad voor de Journalistiek: www.rvdj.nl/katern/47