Gewelddadig gedrag is te voorspellen

Een lijst met risicofactoren zoals omgang met foute vrienden en alcoholgebruik voorspelt of jongeren recidiveren. Rechters gebruiken de test bij het bepalen van de strafmaat.

© Jorgen Krielen / Amsterdam, 04-06-2008/ Henny Lodewijks Krielen, Jorgen

Carola Houtekamer

Gewelddadige jongeren kun je niet eindeloos blijven opsluiten. Dat is duidelijk. Maar wanneer laat je ze vrij? Henny Lodewijks onderzocht een methode om het risico op geweld bij jongeren in te schatten. Hij is directeur behandeling bij justitiële jeugdinrichting Rentray. Met de methode wordt een jongere beoordeeld op risicofactoren als opgroeien in een achterstandsbuurt of gebrek aan empathie, en beschermende factoren zoals veerkracht. Dat voorspelt geweld stukken beter dan een ‘ongestructureerde’ inschatting van een expert. Lodewijks promoveerde er vorige week op, aan de VU in Amsterdam.

De onderzochte methode heet SAVRY, structured assessment of violence risk in youth en wordt sinds anderhalf jaar in alle jeugdinrichtingen in Nederland gebruikt. Rechters kijken naar de uitslag van de test bij hun besluit over de strafmaat en bij de keuze om de straf te verlengen. Tot een paar jaar geleden werd in Nederland geen vastomlijnde methode gevolgd.

Lodewijks vergeleek 117 ‘risicotaxaties’ van experts met taxaties aan de hand van de nieuwe test. Op basis van de recidivecijfers na drie jaar oordeelde hij dat de methode veel beter gewelddadig gedrag voorspelt dan experts die geen methode volgden. Die waren niet beter dan giswerk. Uit onderzoek naar 66 jongens in één van de instellingen van Rentray zelf bleek dat de SAVRY ook goed werkt om geweld bínnen de inrichting tegen andere jongeren en personeel te voorspellen.

Hoe meet je of een jongere weer geweld gaat plegen?

„Per jongere oordeelt een expert, op basis van het dossier of interviews, of hij of zij hoog, matig of laag scoort op 24 risicofactoren. Dat zijn factoren als omgang met criminele vrienden, negatieve gedachten en alcoholgebruik. De test meet ook zes beschermende factoren, zoals het goed doen op school, of een hechte band hebben met één van de ouders. Die verminderen het risico op geweld in de toekomst.”

U onderzocht of de test ook in Nederland goed voorspelt. Waarom zou dat niet zo zijn?

„De methode is ontwikkeld in de VS en in Canada. In de VS zijn jongeren over het algemeen gewelddadiger. Ze zitten vaker in gangs en hebben makkelijker toegang tot wapens. Maar het blijkt dat de methode hier net zo goed werkt als daar. Alleen de historische risicofactoren, zoals criminele ouders of eerder gepleegd geweld, voorspellen in de VS beter dan hier. In Nederland zeggen deze factoren niks over de toekomst. Ik heb eigenlijk geen idee waarom dat zo is.”

Meisjes worden met de methode te gewelddadig ingeschat, bleek uit uw onderzoek. Waarom?

„Dat moeten we nog verder uitzoeken. Een mogelijke verklaring voor de vertekening is dat meisjes vaker geweld op bekenden plegen en jongens vaker op onbekenden. Geweld bij bekenden wordt minder vaak aangegeven bij de politie.”

U gebruikt de methode zelf nog wel voor meisjes.

„Het is het beste dat we momenteel hebben. Tien jaar geleden, toen ik begon met dit werk, kon een oordeel van een psychiater uit Groningen enorm verschillen van dat van iemand uit Maastricht. En het had nauwelijks voorspellende waarde. De SAVRY heeft dat wel en is minder gevoelig voor wie het oordeel opstelt.

U heeft de test vertaald naar het Nederlands en u gebruikt hem in uw eigen instelling. U had er belang bij dat hij goed geweld zou voorspellen.

„Dat zie ik niet zo. Als we het risico niet goed inschatten en de jongere pleegt weer een misdaad, dan krijgen wij dat terug. Dan staat Nederland op z’n kop. Tegelijkertijd moeten we wel een zeker risico nemen. Je kunt een jongere niet zo lang binnenhouden dat hij wereldvreemd wordt. Als je iemand van z’n 15de tot z’n 21ste opsluit, mist hij een hele belangrijke tijd om te oefenen in de maatschappij.”