Een breed overzicht van grafisch design nu

Het nieuwe Graphic Design Museum wil meer zijn dan ‘museum’: een centrum van en over grafisch design, met interactieve faciliteiten.

Affiche van Anthony Burrill Burill, Anthony

Van lokaal kunstcentrum tot nationaal museum voor de grafische vormgeving; na een verbouwing van veertien miljoen euro, vijftien jaar praten met het Rijk, sponsors, verzamelaars, archieven en musea is eindelijk de transformatie volbracht van voorheen De Beyerd tot het Graphic Design Museum Breda. Het wordt morgen door koningin Beatrix geopend.

Dit nationale museum is het enige in zijn soort ter wereld, op een vakgebied waar Nederland van oudsher in uitblinkt. Het is geen museum in de traditionele zin, zegt Esther Cleven, conservator in Breda sinds zeven jaar en bijzonder hoogleraar aan de Universiteit van Amsterdam, maar „een kennisinstituut van de 21ste eeuw”. „De grafische vormgeving is in ruim een eeuw fundamenteel veranderd, en met de intrede van de computer is die verandering in een stroomversnelling geraakt. Er wordt nu in één dag meer aan grafische vormgeving geproduceerd dan vroeger in een jaar. Het is niet meer een aparte ‘zuil’, het is communicatie in welk medium dan ook. Dat varieert van pixels tot postzegels, van boeken en brochures tot T-shirts en een motor met het logo van de politie erop.”

Op de gevel van het gebouw wordt een maand lang met andere middelen druk gecommuniceerd. De gevel is helemaal gepavoiseerd met vlaggenstokken met kleine driehoekige vlaggen met reclameboodschappen erop, van Albert Heijn en KLM tot lokale eenmans ontwerpbureaus. Het idee is van Teun Castelein, die twee jaar geleden de tegels aan de gevel van het Sandberg Instituut in Amsterdam tijdelijk ‘verkocht’ voor zijn Artvertising-project.

Het Graphic Design Museum heeft een budget van 4,3 miljoen per jaar, waarvan de helft van de gemeente Breda komt en de rest van het Rijk, de provincie, sponsors en fondsen als het VSB Fonds, de Bankgiroloterij en de Mondriaan Stichting. Een half miljoen per jaar is bestemd voor de aanleg van een collectie. Het museum toont zich daarin opvallend bescheiden. Cleven: „Als nationaal museum kijken wij naar de ‘Collectie Nederland’. We proberen met gerichte aankopen de gaten daarin te vullen, vooral die in de naoorlogse jaren. Het klinkt niet sexy, ik weet het, maar een museum als een stapelplaats dat alles naar zich toe trekt, is niet meer van deze tijd. We hoeven niet alles zelf te bezitten.” Zo bestaat de vaste opstelling voor 70 procent uit bruiklenen.

Een probleem apart vormt de aankoop en het behoud van digitaal werk. „Want wat koop je dan precies? En hoe zorg je ervoor dat wat je koopt ook toegankelijk blijft nu software zo snel verandert en veroudert? Alle instellingen worstelen hiermee.”

Het museum verzamelt daarom nog geen ‘pixels’, maar heeft wel bureau Lust gevraagd het interactieve deel van de opstelling te verzorgen. Op aanraakschermen zijn interviews met zeven bekende Nederlandse ontwerpers te zien, waar je met een simpele vingerbeweging in heen en weer kunt scrollen. En één muur wordt gevuld met ‘affiches’ die door een computer worden ‘ontworpen’ met gegevens die de computer willekeurig van het net plukt. Dimitri Nieuwenhuizen van Lust: „Wij stellen hiermee de vraag: wat is de rol van de ontwerper als de computer zelf de beelden genereert?” Zijn antwoord: „Die rol ligt nu veel meer op het maatschappelijke en redactionele vlak, niet op het technische.” Dat levert een intrigerende paradox op: er komt een nationaal museum voor grafische vormgeving net op het moment dat de vormgever steeds onzichtbaarder wordt.

In drie nieuwe ondergrondse zalen – architect Hans van Heeswijk heeft het zeventiende-eeuwse gebouw op dezelfde locatie ruim twee keer zo groot weten te maken – wordt de ontwikkeling van het vak in de afgelopen eeuw getoond. Op de begane grond zijn steeds wisselende, tijdelijke tentoonstellingen. Het Amsterdamse grafisch designbureau De Design Politie heeft een zaal gemaakt waar kinderen met magneten zelf hun eigen billboards kunnen samenstellen.

Erik Kessels van het bureau KesselsKramer heeft tien designers uit andere Europese landen uitgenodigd die deze week hun eigen ‘EK grafisch ontwerpen’ houden. Het is er een verrukkelijke heksenketel, waar goed te zien is hoe bruisend de grafische wereld momenteel is en hoe breed die uitwaaiert. Zo heeft het Duitse bureau Pixelgarten een biechtstoel laten timmeren waar de ontwerper aan de hand van de hem toevertrouwde zonden ter plekke een affiche zal maken, uitdraaien en ophangen. De Brit Scott King laat bezoekers ‘auditie’ doen voor een fictieve band, de Fisters, en ontwerpt ter plekke al het promotiemateriaal. „Wat mij opvalt,” zegt Kessels, „is dat ontwerpers in reactie op de dominantie van de computer juist weer zelf gaan tekenen.” Hij wijst naar een hoge muur met beschilderde tekeningen van de Zweed Dennis Eriksson, die zichzelf als held heeft ingevoegd in zijn stripvariant op James Bond. Kessels kijkt met voldoening om zich heen: „Dit is een staalkaart van de Europese grafische vormgeving. Voor dit moment. Want morgen is die heel anders.”