De (on)zin van strenger straffen

Straffen helpt het best als het zeker, hard en snel is.

Maar volgens hoogleraar Elffers is strenger straffen niet de oplossing maar vaker straffen wel.

Illustratie Nanne Meulendijks Meulendijks, Nanne

De vaste overtuiging van een grote meerderheid van de Nederlandse bevolking is dat er in Nederland ‘in het algemeen’ te licht wordt gestraft. In 2006 vond 77 procent van de bevolking dat. In 2004 80 procent en in 2002 92 procent. Die overtuiging neemt dus de laatste jaren wel af.

1 Wat bedoelt de grote meerderheid daar precies mee?

Elffers stelt vast dat het gros van de straffen vrij breed over diezelfde bevolking wordt gespreid, namelijk in de vorm van boetes voor snelheidsovertredingen, met alcohol op achter het stuur. Weinig mensen zullen vinden dat zijzelf of hun naasten te licht worden bestraft. Dus neemt hij aan dat er iets anders wordt bedoeld. „In Nederland worden de ernstigste misdrijven begaan door de slechtste daders, te licht bestraft”. Men denkt dan bij de wens om strengere straffen aan moord, verkrachting en geweld. Dat betreft maar ongeveer 20 procent van alle strafzaken.

Laat je burgers meelopen met concrete strafprocessen dan matigen ze hun oordeel meestal. Maar ze blijven doorgaans gemiddeld wel strenger straffen in concrete dossiers dan beroepsrechters. Burgers zijn dus wel ‘punitiever’ maar ook voor rede vatbaar in individuele gevallen.

2 Vindt de bevolking ‘milde rechters’ erg?

Bij onderzoek naar de belangrijkste eigenschappen van een rechter ‘volgens de burger’ komt strengheid achteraan, als nummer negen op een lijst van tien. Onpartijdigheid, onafhankelijkheid, rechtvaardigheid en dergelijke zijn allemaal belangrijker. En de burger relativeert ook het eigen verlangen naar hogere straffen. 73 procent is het eens met de stelling ‘ongeacht hoe de streng de rechter straft, het volk is er toch nooit tevreden over’. Men kent zichzelf.

3 Hoe kan de roep om strenger straffen dan worden geïnterpreteerd?

Elffers veronderstelt dat er vooral algemene bezorgdheid over criminaliteit schuil gaat. Vooral wie denkt dat het in Nederland bergafwaarts gaat door criminaliteit, wil dat er hard wordt gestraft. Het probleem is dus niet zozeer te milde rechters alswel te hoge criminaliteit. De oplossing zit dan ook niet in bijvoorbeeld verplichte minimumstraffen, maar in bestrijding van de criminaliteit. Dat gaat dus niet alleen over de rechter, maar ook over het openbaar bestuur.

4 Kan strenger straffen misdrijven voorkomen? Kun je iemand wel ‘mores leren’?

Uit de sociale psychologie is bekend dat straf uitstekend werkt mits een overtreding met zekerheid, hard en snel wordt bestraft, zegt hij. In het strafrechtsysteem wordt echter aan géén van deze drie condities voldaan. Daar is de kans op straf, de hoogte en de snelheid ervan een kwestie van kansberekening of toeval. Tegelijk is er bij het publiek een rotsvast vertrouwen in de werkzaamheid van straf. Deels omdat het tegenovergestelde voor velen onvoorstelbaar is. En deels omdat het gezonde boerenverstand dat voorschrijft. Een mens maakt ‘immers’ rationele keuzen, na afweging van voor- en nadelen. De vraag is natuurlijk of dat zo is.

5 Welke kosten moet een aspirant overtreder afwegen?

Elffers noemt bestraffingskosten, toegebracht door politie en justitie. Sociale kosten, geleden in de vorm van afkeuring door gezin en werkkring. En morele kosten: het akelige schuldgevoel van binnen.

Als crimineel gedrag inderdaad voortkomt uit rationele keuzen dan gaat het om het afwegen van voordelen en nadelen. De kans op straf wordt meegerekend. Mocht die straf inderdaad volgen dan calculeert het individu dat in als ‘all in the game’. „Straf kan recidive niet voorkomen als hij bij de afweging [...] al in ogenschouw was genomen”, zegt Elffers. Hij vergelijkt het met het inzetten van een tientje bij de loterij. Unverfroren doet de verliezer dat de volgende keer opnieuw. „Strafdreiging werkt dus in de toekomst niet voor degene voor wie zij in het verleden niet heeft gewerkt”.

Maar straf werkt wel voor wie er in het verleden al door werd afgeschrikt. Wie al van het rechte pad af is, wordt er door straf niet op terug gebracht. Maar op de gemiddelde Nederlander zijn straffen werkzaam omdat het sommigen van misdrijven weerhoudt.

6 Maakt strafdreiging nog verschil gezien het soort regel?

Elffers noemt twee soorten. Regels die we ook onderschrijven als ze niet in het wetboek stonden. Daar maakt straf niets uit, althans voor de meeste mensen. Die worden door hun sociale omgeving in het gareel gehouden. Of ‘uit zichzelf’. Denk aan doodslag of diefstal. Daar is strafdreiging „eigenlijk overbodig”. Alleen de groep mensen die geen innerlijke rem of sociaal gareel hebben zijn te beïnvloeden met bestraffingskosten. Die moet behalve hoog ook reëel zijn. Dus prompt volgen op de wandaad. Bij voldoende verhoging „zullen meer mensen net aan de goede kant van de scheidslijn getrokken worden”. Maar ook dan zullen er individuen zijn die daar toch ongevoelig voor zijn.

Dan zijn er ook regels waar iedere burger vrij onverschillig over is. Vooral overtredingen van bureaucratische normen die als relatief worden gezien. We voegen ons, maar gaan we over de schreef dan is er geen grote sociale of morele afkeuring. Neem snelheidsovertredingen. Er worden jaarlijks meer dan 10 miljoen boetes voor uitgeschreven. Daar laat niemand zich dus door straf afschrikken. Volgens Elffers zou een draconische verhoging van die boetes misschien effect sorteren „maar er is geen schijn van kans dat dat gebeurt”. Voor deze categorie is ‘zwaarder straffen’ dus maar beperkt mogelijk en zinvol.

7 Bij welke groep kan strenger straffen helpen?

Niet bij mensen die de normen uit zichzelf al gehoorzamen, uit morele overwegingen. Nauwelijks voor mensen die zich vooral door de sociale kosten (afkeuring) van crimineel gedrag laten weerhouden. Maar wel voor mensen die zich alleen voegen als er straf volgt als ze dat niet doen. Elffers denkt dat alleen veelplegers van kleine, maar zeer hinderlijke criminaliteit als diefstal en overvallen met strengere straffen te beïnvloeden zijn. Zij zijn de morele drempels ‘kwijt’ omdat ze verslaafd zijn en leven in een sociale omgeving die dergelijk gedrag niet afkeurt. Voor hen vertegenwoordigt een zwaardere straf hogere kosten die afgetrokken moeten worden van de verwachte voordelen van de overtreding.

Mits natuurlijk de straf hoger en de kans erop groter. Dat wordt meestal vergeten: pakkans, vervolgingskans, veroordelingskans en executiekans. Daarbij gaat het bovendien om de indruk die men daarvan heeft, niet om de echte pakkans. Die kan nogal verschillen. Mensen met een lage zelfcontrole en een hoge graad van impulsiviteit, zijn niet goed in staat de consequenties van hun daden in te schatten. Dus ook niet de pakkans. En mensen die de pakkans wél goed inschatten, achten die niet altijd op zichzelf van toepassing.

8 En wat is nu Elffers’ conclusie?

Er is winst te boeken door bestraffingskosten te verhogen. „Maar dan vooral aan de kant van een betere opsporing, eerder dan zwaardere bestraffing”. Woninginbraak heeft een pakkans van minder dan tien procent. Wie zulke lage pakkansen aan den lijve ondervindt en toch al weinig sociale of morele kosten incalculeert, voelt zich juist aangemoedigd door te gaan. De pakkans verhogen heeft meer effect dan de strafzwaarte. Vaker straffen heeft meer zin dan strenger straffen. Preventie, toezicht en opsporing. Dat heeft zin.

Dit artikel vat in hoofdpunten de rede samen die de criminoloog Henk Elffers op 30 mei uitsprak bij het begin van zijn hoogleraarschap empirische bestudering van de strafrechtpleging aan de VU in Amsterdam. Meer publicaties van Elffers op nscr.nl