Waarom staan NS-klokken op de 12 heel eventjes stil?

De secondewijzer van stationsklokken staat op de 12 altijd een paar tellen stil, zo viel Marieke Schouten uit Nijmegen op. „Heeft dit soms iets met het fluitje, het vertreksignaal, te maken?”

De secondewijzer van een stationsklok gaat in minder dan een minuut de klok rond, antwoordt de NS per e-mail. De wijzer blijft op de 12 staan wachten tot hij na precies één verstreken minuut het signaal krijgt dat hij verder mag tikken, en ook de minutenwijzer verspringt.

Dit signaal is afkomstig van een moederklok die de perronklokken op afstand aanstuurt. Een dergelijke minutenimpuls is veel nauwkeuriger dan de zelfstandige elektromotor van de secondewijzer. De moederklokken worden op hun beurt sinds de jaren tachtig weer aangestuurd door een atoomklok in Frankfurt, vertelt Jos Zijlstra, conservator van het Spoorwegmuseum in Utrecht.

„Tot eind negentiende eeuw werd nog de zonnetijd gebruikt”, weet Zijlstra. „Iedere stad had daardoor zijn eigen tijd.” Het ‘systeem’ was een ramp voor de dienstregeling van de spoorwegen. Beter liep het in Groot-Brittannië, waar de Railway Clearing House al in 1847 de Greenwich Mean Time (GMT) als railway time had geïntroduceerd.

De Nederlandse spoorwegmaatschappijen gingen in 1892 de GMT gebruiken. In 1909 kwam er een nieuwe leidraad toen Nederland één nationale tijd kreeg: de Amsterdamsche Tijd, 20 minuten vóór op de GMT, en 40 minuten achter op de huidige Midden-Europese Tijd (MET) die de Duitse bezetter in 1940 in Nederland doorvoerde.

Het principe van de elektronische pulsklokken op het perron dateert, net als de Amsterdamsche Tijd, uit 1909. Destijds had ieder station een eigen moederklok, die gelijk liep via tijdpulsen van de telegraaf. De pulsklok was een hele verbetering voor de stationschef die voorheen regelmatig in de benen moest. Zijlstra: „Het Amsterdamse telegraafkantoor gaf een tijdpuls af. Het was de taak van de stationschef om vervolgens alle klokken handmatig gelijk te zetten.”

Ewout Lamé

    • Ewout Lamé