Verdonks veiligheid

De beveiliging van het Tweede Kamerlid Verdonk (Trots op NL) plaatst minister Hirsch Ballin (Justitie, CDA) voor een onmogelijke opgave. Als de minister op goede gronden besluit het beveiligingsniveau van het Kamerlid te verlagen, roept hij de toorn van onder andere de Partij voor de Vrijheid van Wilders over zich af. Als hij om die reden het beveiligingsniveau op een hoog niveau zou handhaven, dan geeft hij aan Verdonk meer dan aan anderen die recht hebben op beveiliging. Dat dit alles tijdens een openbaar debat in de Tweede Kamer wordt besproken, zorgt nog voor een extra complicatie. Dit alles tegen de achtergrond dat Verdonk wel degelijk iets kan overkomen. Dan zijn, zoals SGP-fractievoorzitter Van der Vlies zei, „de rapen gaar”.

Zo kon het gebeuren dat de beveiliging van een Kamerlid, tevens oud-minister, vorige week in de Tweede Kamer uitliep op een heftig en gepolitiseerd debat, waar overleg in stilte over precaire aangelegenheden als persoonsbeveiliging verre de voorkeur verdient. Verdonk had zelf het kabaal uitgelokt door op televisie bekend te maken dat ze niet langer wordt beveiligd. Hirsch Ballin sprak dit met klem tegen, maar openbaarde dat de beveiliging van Verdonk inderdaad is teruggeschroefd. Dat is kennis die beter niet publiek kan zijn. Verdonk laadt de verdenking op zich dat zij om electorale redenen de rol van slachtoffer kiest. Wie werkelijk vreest voor zijn veiligheid, doet er beter aan langs andere wegen te zoeken naar een oplossing.

Hirsch Ballin kon zijn besluit baseren op een advies van een orgaan dat op dit terrein wordt geacht bij uitstek deskundig te zijn: de Nationaal Coördinator Terrorismebestrijding (NCTb). Bovendien hadden de inlichtingendiensten en de politie hem laten weten dat op dit moment „geen informatie beschikbaar is waaruit enige concrete dreiging blijkt”. Aangenomen mag worden dat de minister van Justitie en de betrokken diensten op zeer goede gronden tot hun besluiten en adviezen zijn gekomen, al was het maar vanwege het publieke risico dat zij lopen. Hun professionele beoordeling van de veiligheidssituatie van het Kamerlid legt per definitie meer gewicht in de schaal dan de inschatting van de betrokkene zelf. Het probleem is echter dat Hirsch Ballin door Verdonk c.s. wordt beschouwd als een politieke tegenstander die om oneigenlijke redenen haar de beveiliging ontzegt waar zij recht op meent te hebben.

Dit ongezonde klimaat rond persoonsbeveiliging dient te worden gedepolitiseerd. De suggestie van het eveneens bedreigde, voormalige Tweede Kamerlid Hirsi Ali (VVD) om een toetsingscommissie in te stellen die besluiten van de minister over persoonsbeveiliging kan beoordelen, is verstandig. Zo’n commissie haalt de bedreigde politicus uit de positie dat hij voor bescherming direct afhankelijk is van een mogelijke politieke concurrent. Bovendien werkt zij bij voorkeur buiten het oog van de ongewenste belangstelling van kwaadwillenden. Zo is de veiligheid gediend en de vrije meningsuiting van politici gewaarborgd.