Tijd en traaaaagheid

Met de voorstelling Walking van Robert Wilson opent vrijdag het Oerol Theaterfestival 2008.

Vier uur lang loopt de toeschouwer alleen en traag over het eiland Terschelling.

Voorbereidingen voor het decor van Walking, een wandeling van enkele kilometers waar je vier uur over moet doen. Foto Anne Zorgdrager Walking in aanbouw.Locatie Wierschuur. Zorgdrager, Anne

Langzaam lopen, tergend traag, stap voor stap, zonder te haasten. Een man van fors postuur, witte cowboyhoed op, spijkerbroek aan, blauwe blazer, doet het voor in een stormachtige uithoek van het eiland Terschelling. In plaats van zo te lopen dat je net niet voorover valt, moet je hele kleine kalme passen nemen of, twee stappen naar voren doen en een naar achter.

De Amerikaanse performer, theater- en operaregisseur Robert Wilson (Waco, Texas, 1941) pleit voor vertraagde kunst. In juni gaat op Terschelling tijdens het Oerol Festival onder zijn artistieke hoede Walking in première, een vier uur durende tocht over de oosthoek van het eiland van de Waddenzee naar de Noordzee, van zuid naar noord. De uitvoering kan evengoed Slow Walking heten, want de toeschouwer wordt geacht over de luttele kilometers vier uur te doen. Hij of zij wandelt alleen en mag het tempo niet versnellen. Begeleiders zorgen ervoor dat iedereen vijftig meter afstand tot elkaar houdt. Eenzame deelnemers zijn we. Het traject voert over onverharde paden van polder door duin naar strand. Sommige stukken van het parcours zijn normaal gesproken verboden terrein, want beschermde natuur.

Robert Wilson kan dan de held van het langzame theater zijn, hij is ook een razendsnelle werkwolf die wereldwijd aan meerdere projecten tegelijk werkt. Tussen regies in München, Tai Pei in Taiwan en Wenen door bracht hij vorig jaar een bliksembezoek aan Terschelling. Hij keek rond, bezocht locaties, bezag de Waddendijk en het Noordzeestrand. En was weer verdwenen. Terwijl het publiek straks vier uur besteedt aan Wilsons Walking is de regisseur zelf elders aan het regisseren.

In Nederland verwierf Wilson bekendheid met het muziektheater Einstein on the Beach (1976) met muziek van Philip Glass. Eerder bracht hij hier performances en voorstellingen als Deafman Glance (1971), the CIVIL warS (1984), The Black Rider (1990) met muziek van Tom Waits en Poetry (2000) met Lou Reed. Ook regisseerde hij in 1989 De Materie van Louis Andriessen bij de Nederlandse Opera.

In mei van dit jaar keerde Wilson op Terschelling terug om samen met theatermakers Theun Mosk (1980) en Boukje Schweigman (1974) aan Walking te werken. Hij bleef twee dagen, een zaterdag en zondag. Tijdens het eerste bezoek had hij een tekening gemaakt, een vluchtige schets. Die tekening vormt de essentie van het Nederlandse landschap: een strakke lijn verbeeldt de horizon boven het vlakke land met daarin een verhoging die een dijk voorstelt. Wilson is verzot op meetkundige tekeningen: rechte lijnen, vierkanten, driehoeken. Hij zegt: „Ik had geen enkele verwachting van Terschelling.” De reden dat hij het verzoek van het Festival heeft geaccepteerd, is de kans outdoor te werken, iets dat hem fascineert.

De andere vraag van het festival aan Wilson is of zijn voorstelling over tijd kan gaan. Zoals elk jaar heeft Oerol een thema dat de voorstellingen, die gedurende tien dagen op het eiland te zien zijn, samenbindt. Artistiek directeur Joop Mulder geeft dit jaar aan het festival de titel van een boek van Umberto Eco mee, Het eiland van de vorige dag (1994). Deze roman verhaalt over een schipbreukeling die op een eiland terechtkomt dat precies op de datumgrens ligt, zodat vandaag en gisteren betrekkelijk zijn. Mulder ging in zijn fantasie zover dat hij op het hele eiland Terschelling de klok twee uur wilde terugzetten, zodat het zijn eigen tijd heeft. Vertrek je bijvoorbeeld om vier uur met de veerboot vanuit Harlingen naar de overkant, dan kom je twee uur later om vier uur aan.

Maar het eigenmachtig verzetten van de tijd is bij de wet van 1874 verboden, bevestigd door koningin Juliana in 1954, behalve als het een kunstwerk betreft. Mulder heeft er- voor gepleit Terschelling gedurende de festivaldagen tot kunstwerk te verklaren. Ook dat ging niet door. Scholen, bejaardenhuizen, middenstand, veerdienst en sommige eilandbewoners hechten aan een tijd die synchroon loopt met de vaste wal.

Met de keuze voor regisseur Robert Wilson heeft het Theaterfestival Oerol toch nog een draai aan de tijd gegeven. Op die zaterdag in mei werkt Wilson met Mosk en Schweigman aan Walking. Het vertrek van dit belevingstheater ligt bij de Wierschuur, een oude schuur in de polder voorbij het laatste buurtschap, Oosterend. Vroeger werd er wier gedroogd voor vulling van kussens en matrassen. In het gras zijn paaltjes gestoken, waartussen vliegertouw is gespannen. Overal ligt gereedschap verspreid, meetlinten, hamers, latten, stukken hout, haspels met touw. Het is meer een plek voor architecten en bouwlieden dan voor theaterkunstenaars.

Wilson beschouwt die twee disciplines als gelijkwaardig. Voordat hij regisseur werd studeerde hij architectuur in New York. Onophoudelijk tekent hij op vellen wit papier van een blocnote. Zijn gevoel voor verhoudingen is verbazingwekkend. De lijnen die hij zonder enige aarzeling trekt zijn kaarsrecht.

Vraag Wilson nooit naar de bedoelingen van zijn werk. Dan hult hij zich in diep stilzwijgen. Zeg bijvoorbeeld niet dat de wandeling die hij over het eiland uitstippelt van zuid naar noord loopt en dat zo’n kompasrichting vast een symbolische bedoeling heeft. Tandenknarsend zal Wilson elke diepere betekenis ontkennen. Maar geef hem pen en papier en de stille Wilson praat en tekent en schetst zonder ophouden.

In het Hollandse landschap ziet Wilson lijnen die niemand anders ziet. Hij wijst vier plekken aan, de hoeken van wat een tempel moet worden. Hier begint Walking. Aanvankelijk staan de stokjes in de grond te dicht bij elkaar. „Nee”, zegt Wilson, „het moet meer zijn, twintig bij twintig meter.” Hij neemt de afstand op met afgemeten stappen. Paaltjes opnieuw in de grond getimmerd, touw ertussen. De ruimte zal omsloten worden door hoge transparante doeken, bekleed met wilgentenen. De bovenzijde is open. Wilson: „Een tempel heeft een voorportaal nodig.” Voor het oog van de betrokkenen tekent hij vliegensvlug in zijn schetsboek een entree. „Die wordt zwart.”

Dan kijkt Wilson opeens naar boven, naar het dakraam van de Wierschuur. Die is pal op het oosten gericht. Hij kijkt weer naar zijn work in progress in het grasveld en suggereert dat de entree van het heiligdom precies in dezelfde lijn moet liggen als het uitzicht vanuit dit venster. Alle paaltjes de grond uit, touwen opgerold en een paar meter verderop weer de grond in, touwen gespannen.

Wilson vraagt opeens aan Theun Mosk: „Welk weer hebben jullie hier?” Mosk antwoordt: „Veranderlijk. Het kan regenen, de zon schijnt weleens, wie weet stormt het zoals nu.” Wilson knikt. „Goed, de bovenkant blijft open. Maar de entree is een black box. Daar mag geen licht komen, geen geluid, het is er doodstil. Daar is de natuur buitengesloten. En de toeschouwer staat er alleen.” Langzaam ontvouwt Walking zich, zoals Wilson dat in zijn atelier in New York heeft uitgedacht. In het binnenste van de tempel komt een negative cone, een diepe zwarte kuil in de vorm van een kegel die tien meter in de grond reikt. Wilson heeft op het wad klei gezien met een blauwachtige weerschijn. Hij verzoekt aan de assistenten een kleur blauwe verf te zoeken om de kegel van binnen te verven.

In deze tempel aan de Waddenzee begint de toeschouwer aan zijn vier uur durende wandeling. Of het spannend of saai wordt, enerverend of langdradig, is goeddeels afhankelijk van de bereidwilligheid van de bezoeker. Theun Mosk en Boukje Schweigman hebben ervaring met deze vorm van theater. Naar eigen zeggen zijn zij de ‘regisseurs van het publiek in de architectuur die Wilson bouwt’. De wandeling loopt langs een oude eendenkooi, via het Jollemabosje naar de Takkenkooi en vandaar langs de Mierenplak naar de Noordzee. Daar is het ending point, de positive cone. Ook wandelt de toeschouwer op een gegeven moment tussen twee wanden van dertig meter lengte door. Dan is de weidsheid van het landschap visueel gebroken en is men gevangen in een tunnel.

Wilson zet de natuur naar zijn hand. Maar de elementen zijn grillig, de weersomstandigheden op zijn minst wisselvallig en onvoorspelbaar. Wilson staat te boek als de regisseur van de precisie en van het volmaakte detail. Hoe gaat hij op Terschelling met de elementen om? „Voor mij is het begin van elke voorstelling als een envelop”, legt hij uit, even geheimzinnig als resoluut. „ Pas dan komt in die envelop de brief, handgeschreven, grillig van vorm, misschien emotioneel van inhoud. Zo moet ook Walking zijn: er is de formele structuur van een vertrek- en eindpunt. Daar bouw ik mijn theatrale sculpturen. Tussenin mag de bezoeker zelf beslissen wat hij of zij ervaart, welke emoties hij ondergaat. De enige dwingende eis is dat alles slow, slow, slow moet zijn, pas dan beleeft iemand de omgeving intens. Wat mij altijd fascineert aan theater is dat een voorstelling ogenschijnlijk elke avond hetzelfde is, maar dat klopt niet. Elke avond is anders en elke toeschouwer ondergaat het weer anders.”

Bij eerste aanblik werd het hem duidelijk dat het eiland dezelfde sensatie van ruimte biedt als de staat Texas, waar hij opgroeide. Wilson: „Ik ben een man uit de prairie. In de weidsheid daarvan beleef je tijd en ruimte anders. Als je een uur autorijdt door die leegte, dan verandert er niets. Daarom was ik in mijn jeugd gehaast. Snel praten, snel bewegen. Maar ik stotterde, struikelde over mijn woorden. Totdat een lerares me suggereerde alles slow down te doen. Die aanwijzing heeft mijn leven veranderd. Ik legde me toe op langzaam spreken. Mijn performances uit de jaren zeventig, zoals I Was Sitting On My Patio, lijken door die vertraging dagenlang te duren. Zoiets heeft op de toeschouwer een hallucinerend effect, want de normale tijdsbeleving en die in de toneelzaal zijn totaal verschillend. Veel regisseurs versnellen de voorstelling naarmate de ontknoping nadert. Dat doe ik niet.”

In Walking, aldus Wilson, is de ‘toeschouwer de uitvoerder en de natuur is de acteur’. Ondanks dat hij niet veel prijsgeeft legt hij toch, al tekenend, uit wat hij met Walking wil bereiken: „De veranderende weersomstandigheden en het licht dat geen seconde hetzelfde is, maken van de omgeving een telkens veranderend decor. Normaal gaat men daaraan voorbij. Met Walking wil ik de toeschouwer confronteren met die voortdurende wisseling van het visuele landschap. Mijn theater is het theater van de traagheid. Een langzame ervaring is de meest intense.”

Is die negative cone, die zwarte kuil, zoiets als de entree naar de onderwereld? En wat moeten we aan het einde verwachten? Terugkeer in het licht? Is de wandeling een tocht door de onderwereld? Een toeschouwer wil uiteindelijk houvast hebben aan een betekenis en dan is het wel opvallend dat de tocht van de getemde en bedijkte Waddenzee gaat naar de onstuimige, wilde Noordzee. Klopt dat?

Wilsons antwoord is kortaf. „Yes”, zegt hij. En hij begint weer te schetsen en te tekenen, als om vragen over betekenis te ontduiken. Wilson duidt afmetingen aan, afstanden, stelt vast dat het asfaltpapier van het zwarte voorportaal zo stevig en stug mogelijk moet zijn, ‘anders waait alles weg en daarbinnen mag niets van buitenaf doordringen’.

Walking: dagelijks op het Oerolfestival. Begintijden vanaf 11.30 uur tot 16.00 uur, toegang 20 euro zie: www.oerol.nl