Stephen Poliakoff, in de luwte van het EK

Historicus Maarten van Rossem herhaalde vrijdag bij Knevel en Van den Brink zijn oproep om tijdens het EK voetbal ten minste één publieke zender oranjevrij te houden. Ik sympathiseer met zijn ergernis over de mede door economische motieven ingegeven hysterie in de media-aandacht voor de prestaties van het Nederlandse elftal. Elk detail van de fysieke en mentale toestand van de spelers wordt eindeloos uitgemolken. Het ergst is nog niet eens het gebabbel aan tafel bij Jack van Gelder in Studio Sportzomer of de steeds op dezelfde opsommerige toon door Bert Maalderink gedebiteerde verslagen van bewegingen rond de spelersbus. Het dieptepunt tot nu toe vormde vrijdagavond de orgie van plechtstatig chauvinisme in de show Hazes in de ArenA (TROS). Terwijl Lee Towers een potpourri zong van Ik heb u lief mijn Nederland en You'll Never Walk Alone, in duet met de boven de hoofden van tienduizenden vertegenwoordigers van de getatoeëerde klasse geprojecteerde schim van André Hazes, droeg een tiental meiden in oranje voetbaltenue rood-wit-blauwe vlaggen het podium op. Toen ze daarmee gingen vendelzwaaien bereikte het publiek een vorm van extase.

Toch heeft Van Rossem ook ongelijk. Enkele excessen daargelaten zijn Nederland 2 en 3 namelijk grotendeels van oranje smetten vrij. Omdat die twee zenders kijkcijfermatig deze weken bij voorbaat min of meer zijn afgeschreven tegenover het voetbalgeweld van Nederland 1, zien de zendercoördinatoren veel door de vingers. Je krijgt daar nu een beetje een indruk hoe aardig de programmering kan worden, als de cijfers er niet veel toe zouden doen.

Nederland 2 vertoont vooral op een vrouwelijk publiek gerichte Engelse detectiveseries, waar ik nog minder op gesteld ben dan op voetbal. Maar op Nederland 3 mocht de VARA zomaar op zaterdag en zondag in totaal vier uur besteden aan een geniaal tweeluik van de Britse schrijver en regisseur Stephen Poliakoff.

Bij ons is Poliakoff (Londen, 1952), die ook toneelstukken en bioscoopfilms schreef, lang niet zo bekend als in eigen land. Net als ooit Dennis Potter(The Singing Detective) is de televisie het favoriete medium voor zijn drama met een herkenbare stijl en thematiek, dat zinvolle metaforen creëert voor de recente Britse geschiedenis.

Maar voor wie die niet goed kent is het werk van Poliakoff lastig te begrijpen. Friends and Crocodiles (2005) begint tijdens het economische elan van het Thatcher-tijdperk en eindigt met het barsten van de internet-bubble op de beurs, eind jaren negentig. Gideon’s Daughter (2006) bestrijkt de beginjaren van premier Blair. Kort na de dood van prinses Diana (1997) keert een machtig pr-adviseur (Bill Nighy) zich om persoonlijke redenen af van zijn eigen glamourimperium en ziet af van het organiseren van de millenniumfeesten, die daardoor uitlopen op een flets demasqué van het vooruitgangsoptimisme.

Ook Friends and Crocodiles draait om de neergang van een charismatisch leider. Damian Lewis speelt hem als een Britse Great Gatsby, onconventioneel organisator van spectaculaire feesten en inspirator van de creatieve klasse. Als iedereen de lof van de computer zingt, bedenkt hij dat de toekomst ligt in boekwinkels met een café.

Friends and Crocodiles is een uitgekiende ideeënfilm, bijzonder fraai gestoffeerd, maar een beetje retorisch. Gideon’s Daughter is een minder omstreden televisiemeesterwerk, omdat het de ijdelheid van politiek en media spiegelt aan persoonlijke drama’s. Nighy, bekend uit onder meer de film Love Actually , speelt de spindokter die niet bij het hart van zijn dochter kan komen, met sublieme vermoeidheid en pijn. Bijna nog mooier is zijn non-conformistische minnares uit een andere klasse (Miranda Richardson), die een zoon heeft verloren door de arrogante onverschilligheid van politici. In een schitterende scène zie je voor het eerst in dramavorm de populistische woede verbeeld, wanneer sociaal-democratische apparatsjiks afspraken schenden en zich vastklampen aan een formalistisch gelijk. Zulk politiek drama kan dus beter dan Medea of 0605. Dank aan het EK!.