Schaamstreek

Terwijl ik vanuit mijn appartement op zeven hoog naar buiten keek, wachtte ik met de telefoon aan mijn oor op verbinding met een collega die bij het EK voetbal werkte. Op televisie had Nadal net de eerste set gewonnen van Federer. Hij veegde het zweet van zijn voorhoofd.

Beneden op het grasveld lag een stelletje op elkaar; de jongen onder, het meisje boven. Twintig meter verderop viel een waggelend meisje van een jaar of twee over haar eigen benen.

Ik kreeg mijn collega aan de lijn. Hoe was het daar? Had hij nieuws over het pijnplekje van Arjen Robben? De voetballer had een blessure aan zijn lies opgelopen. Vervelend. Toen ik vroeger in jeugdelftallen voetbalde, had ik er ook vaak last van. Het lijkt onschuldig, maar van het ene op het andere moment kun je je been niet meer optillen.

Ze noemden Robben bij Chelsea ‘The Cristal Man’. Was hij maar van kristal, dat is kwetsbaar maar in ieder geval harder dan een weke lies. Een lies. Ik zou niet eens weten hoe je zo’n ding moet natekenen. Wat mag je wel, wat mag je niet met een slechte lies? Ik bedoel, het zit toch in de gevoelige schaamstreek.

Op het grasveld beneden me was het meisje op haar vriend gaan zitten. Met mij hadden zo’n honderd appartementhouders op klaarlichte dag goed zicht op het stelletje. Het meisje reed met opgetrokken rokje op de schaamstreek van haar vriend. Ze was aan de stevige kant en bedreef de liefde met volle overgave.

Terwijl mijn collega via de telefoon vertelde over hoe goed hij Portugal vond spelen, zag ik hoe het meisje het zaakje beneden handig herschikte en weer voortreed. Ik stamelde iets door de telefoon wat aan de andere kant niet werd begrepen.

Het kindje holde met dreutelpasjes over het gras naar het heftig vrijende stel.

„Ja, die lies van Robben, ik weet het niet…”, hoorde ik mijn collega zeggen.

Het kindje stond naast papa en mama. Papa zei wat tegen zijn kind terwijl mama zich on top in het zweet werkte.

Tijd voor opwinding als voyeur had ik niet. Dat toekijkende kindje. Moest ik de politie bellen? Ik hing op. Zou ik het raam opendoen en het onheilspellende geluid van een slechtvalk nabootsen, dan hielden ze vanzelf op. Of was alleen „Hé alsjeblieft, zeg!” voldoende?

Met horten en stoten vertelde ik door de telefoon wat ik zag. „Wat! Liggen ze gewoon te neuken?”, riep hij. Ik kon er inderdaad niet veel anders van maken.

Het liesje van Robben deed er niet meer toe.

Het stel stopte abrupt omdat hun kindje naar de straat rende. Het meisje fatsoeneerde al hollend haar jurk. De jongen rommelde wat achter zijn broeksrand en haalde met duim en wijsvinger een paar grassprietjes weg.

Nadal had intussen weer een paar games gewonnen, zo meende ik aan het meisjesgeschreeuw op Roland Garros te horen.

Tot een uur na de ‘wedstrijd’ tussen de jongen en het meisje was het gras op die plek platgewalst. Ik dacht aan het kindje, aan mijn collega in Zwitserland, aan het kristallen lijf van Arjen Robben, aan de schadelijkheid van seks voor je liezen en de schaamstreek in het algemeen.

Als Robben op het EK speelt, zal ik aan die merkwaardige scène voor mijn huis denken. Dat moet hij me maar vergeven.