Harde en open diplomaat is Nederland ontstegen

De typisch Nederlandse diplomaat is van het gepolijste soort. Zo niet Pieter Feith, zeggen collega’s. „Ik dacht vaak: hij gaat te ver, hij staat op tenen.”

Pieter Feith sluit niet uit dat zijn missie in Kosovo mislukt. Foto NRC Handelsblad, Vincent Mentzel Pieter FEITH (1945). Dutch diplomat ICO,EU Special Representative in Kosovo,poseert voor het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken in Den Haag. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C== Den Haag, 27 mei 2008 Mentzel, Vincent

Als de Finse oud-president Martti Ahtisaari over de Nederlandse diplomaat Pieter Feith praat, zegt hij: wij. „Wij” kunnen hard, open en eerlijk zijn als het moet. „Maar ook diplomatiek.”

Feith houdt namens de Europese Unie en de internationale gemeenschap toezicht op het bestuur in Kosovo. Ahtisaari, die erg tevreden is over wat hijzelf als diplomaat heeft kunnen doen in de wereld en over de erkenning die hij daarvoor kreeg (vier prijzen), bedoelt het als compliment voor Feith: die lijkt op hém.

„Ik wist ook niemand anders die deze taak op zich had kunnen nemen”, zegt Ahtisaari in zijn kantoor in Helsinki. Van 2005 tot 2007 onderhandelde Ahtisaari namens de VN over Kosovo, de Servische provincie die na de NAVO-bombardementen op Servië in 1999 onder VN-bestuur was gekomen. De oplossing die hij bedacht – de onafhankelijkheid van Kosovo onder internationaal toezicht – schreef hij in een plan dat sinds 17 februari wordt uitgevoerd. Kosovo heeft zich onafhankelijk verklaard en het is de bedoeling dat de EU een politie- en justitiemissie naar Kosovo stuurt om de taken van de VN over te nemen.

Volgens de nieuwe Kosovaarse grondwet, die vanaf volgende week geldt, is Pieter Feith de enige buitenlandse vertegenwoordiger die nog bestuurlijk gezag heeft in Kosovo. Kosovo heeft een eigen regering, maar als Feith het nodig vindt, is hij de baas. Hij kan benoemingen ongedaan maken en wetten tegenhouden.

De Russen in de VN-Veiligheidsraad moeten niks van hem hebben, Serviërs noemen hem partijdig. Maar in Washington, Londen, Parijs, Berlijn en Brussel zijn ze onder de indruk van Pieter Feith, die eerder al een bijna onmogelijke vredesmissie in Atjeh tot een succes maakte.

En in Den Haag?

Feith, zeggen collega’s en oud-collega’s, is „losgezongen” van zijn eigen land en daarom vindt EU-buitenlandcoördinator Javier Solana, zijn baas in Brussel, hem zo goed. Hij is Nederland „ontstegen”, zeggen ze, omdat Nederland hem als profeet in eigen land niet genoeg waardeerde. En ze zeggen dat hij óók nog wel Nederlands is: hij is soms bot zoals Nederlanders bot kunnen zijn. „Maar zo zijn Amerikaanse diplomaten ook”, zegt Henne Schuwer, kabinetschef van NAVO-secretaris-generaal Jaap de Hoop Scheffer. „En het werkt. Je moet geen valse verwachtingen wekken.”

Volgens oud-Tweede Kamerlid Hans Gualthérie van Weezel (CDA), die in 1970 samen met Feith het ‘diplomatenklasje’ deed bij Buitenlandse Zaken, is de typisch Nederlandse diplomaat „van het gepolijste soort”. „Ze worden erin getraind om geen kleur te bekennen.” Feith, zegt hij, was meteen al anders.

Feith is dapper, zegt ambassadeur Schuwer. „Als er acht Serviërs met hem in een kamer zitten die hem een grote bek geven, geeft hij een grote bek terug.” Je moet Feith niet te lang achter een bureau zetten, zegt ambassadeur Robert Milders, die Nederland vertegenwoordigt in het ‘politiek en veiligheidscomité’ van de EU. „Je stuurt hem op een klus af.” Dat wil niet zeggen dat hij dan doet wat je wilt. En dat vonden ze in Den Haag vaak lastig. Milders: „Hij is geen brave, gehoorzame ambtenaar. Als je zegt: ‘Luister, Piet. Doe het nou zo’, dan registreert hij dat, maar hij gaat zijn eigen gang.”

Op zijn elfde richtte Pieter Feith – jonkheer – met een paar vrienden ‘Penoka’ op, een afkorting van ‘Penose Kralingen’. Brave jongens uit een keurige Rotterdamse wijk. Ze zaten op hockey en op dansles, zegt oud-bankier Jaap Kamp. Bij Penoka discussieerden ze over buitenlandse politiek.

De vader van Pieter Feith was lid van de raad van bestuur bij bierbrouwerij Heineken. Hij ging over de export en was vaak op reis. Op zijn zestiende bedacht Pieter Feith dat hij dat ook wilde, maar dan voor de Nederlandse regering. Hij kwam op dat idee door een vriend van zijn vader, Dirk Stikker. Die was, voordat hij minister van Buitenlandse Zaken werd in het eerste kabinet-Drees, directeur bij Heineken. Feith ging langs bij de secretaris van de toelatingscommissie voor de Buitenlandse Dienst, om te vragen of het erg was als hij geen rechten zou gaan studeren in Leiden, zoals de meeste aankomende diplomaten deden.

Feith studeerde politieke wetenschappen in Zwitserland en de Verenigde Staten. Zijn eerste diplomatieke post was Damascus. In september 1974 eindigde daar de vlucht, in een toestel van Transavia, van Japanse gijzelaars van de terroristische beweging het Rode Leger. In Den Haag hadden ze de Franse ambassadeur gegijzeld en weer vrijgelaten nadat ze 300.000 dollar hadden gekregen en een vliegtuig met Nederlandse bemanning. In Damascus gaven ze zich over. Feith onderhandelde met de Syrische regering over de bemanning en het losgeld, dat volgens het ministerie in Den Haag van Nederland was. De bemanning kon zonder problemen gaan, Syrië hield het losgeld.

Van koningin Juliana kreeg Feith er een onderscheiding voor, Ridder in de Orde van de Oranje-Nassau.

Hij droeg die onderscheiding nooit, zegt zijn vriend Jaap Kamp, en hij praatte er met bijna niemand over. „Ik loop er niet mee te adverteren”, zegt Feith zelf. „Maar ik vond het leuk om die onderhandelingen te doen. Spannend.” Net als de voedseldistributies in Soedan, waar hij als diplomaat halverwege de jaren tachtig aan meedeed. Ook spannend. „Dat gaf voor mij de richting aan.”

Feith werkte voor Buitenlandse Zaken in Bonn, Karthoum en New York. Vanaf eind jaren negentig tot 2003 was hij gedetacheerd bij de NAVO en EU. Hij was politiek adviseur van de internationale troepenmacht in Bosnië, door zijn bemiddeling kwam in 2001 een eind aan een opstand van Albanese rebellen in het zuiden van Servië en kreeg hij Albanezen in Macedonië zover dat ze zich terugtrokken uit veroverde gebieden.

De Finse oud-president Ahtisaari kende Feith uit de tijd dat ze allebei in New York werkten, in de jaren tachtig, Feith bij de Nederlandse vertegenwoordiging bij de VN, Ahtisaari als onder-secretaris-generaal. „Ik lette daarna goed op zijn carrière in Brussel.”

De Spaanse oud-minister Solana, die eerst secretaris-generaal bij de NAVO was, nam Feith mee naar de EU toen hij daar buitenlandcoördinator werd. Feith zou ambassadeur worden bij de OVSE, maar Solana had minister van Buitenlandse Zaken Jozias van Aartsen gevraagd of Nederland Feith nog een tijdje wilde uitlenen. Solana had hem nodig om het Europees beleid voor veiligheid en defensie te maken.

Vanaf het najaar van 2004 bemiddelde Ahtisaari tussen de Indonesische regering en de verzetsbeweging van Atjeh, die al bijna dertig jaar met elkaar aan het vechten waren. Begin 2005 was er een vredesakkoord en Ahtisaari vroeg Feith om daar met een EU-missie op toe te zien. Groot-Brittannië, in die tijd voorzitter van de EU, vond het niet meteen een goed idee: Atjeh was ver weg, het zou veel geld gaan kosten. Nederland wilde wel.

Robert Milders, die toen in Den Haag werkte, had tegen minister Ben Bot gezegd: „Sinds de generaal Van Daalen [in de negentiende eeuw] is het in Atjeh niet meer rustig geweest. Het zou toch mooi zijn als een Nederlander het nu rustig kan krijgen?” Niet dat Milders meteen dacht dat het Feith zou lukken. „Het was een rotklus. Mensen zeiden: ‘Zou je het wel doen, Piet?’”

Een van Feiths medewerkers in Atjeh, nu ambtenaar in Brussel, zegt dat hij tijdens de gesprekken van Feith met de Indonesische regering en de rebellen vaak dacht: „Hij gaat te ver, hij staat op tenen.” Maar dan kreeg Feith de partijen toch zover dat ze deden wat hij wilde.

Was Nederland trots toen de missie een succes werd? Milders: „Feith was op een internationale missie, in Europese dienst. Het zou een beetje aanmatigend zijn geweest om het naar je toe te trekken als land.”

Al twee jaar vóór Atjeh had Feith ontslag genomen bij Buitenlandse Zaken. Feith, zeggen collega’s, had in Den Haag gezegd dat hij recht had op een benoeming als ambassadeur in Moskou of Washington. Maar het ministerie houdt niet van diplomaten die succesvol zijn in het buitenland, zeggen collega’s. „Die moeten met hun voeten terug op de grond.” Zelf zegt Feith dat ze in Den Haag „niet stonden te springen met ideeën” over zijn toekomst, dat hij altijd loyaal was geweest, maar dat er voor een goeie tango twee nodig zijn. „Ik vond dat de begeleiding vanuit Den Haag niet overhield.”

Je hebt Nederlandse diplomaten, zegt een oud-collega in Brussel, die het Nederlandse belang ook blijven dienen als ze bij een internationale organisatie werken. Eveline Herfkens was zo. „Die kon je nog eens bellen vanuit Den Haag.” Maar niemand belde Feith. „Hij was wars van wat er in Nederland leefde.” Feith belde zelf ook nooit. „Je kunt denken: ik wil dat en dat baantje, laat ik Den Haag vragen om me te helpen. Dat heeft Pieter nooit gedaan.”

Dus deed het ministerie in Den Haag niets om hem benoemd te krijgen als internationaal vertegenwoordiger in Kosovo. Het was Ahtisaari die hem vroeg, Solana vond het meteen goed, de regeringen in Washington, Berlijn, Parijs en Londen waren het ermee eens.

Pieter Feith zei ‘ja’. Maar dat was in de tijd dat iedereen nog dacht dat de onafhankelijkheid van Kosovo snel door veel landen zou worden erkend – dat viel later tegen. Rusland zou in de VN-Veiligheidsraad niet tegenstemmen als de taken van het VN-bestuur in Kosovo werden overgedragen aan de EU – dat doet Rusland nu wel. En de Serviërs zouden er niet zo lang over gaan doen om te accepteren dat ze Kosovo kwijt waren, omdat ze graag bij de EU willen horen.

Na zijn benoeming zei Feith dat hij er als EU-vertegenwoordiger ook op zou letten hoe Servië zich gedroeg jegens buurland Kosovo. Servië wilde graag een samenwerkingsakkoord met de EU, Feith zei dat hij er invloed op zou hebben of dat er kwam of niet. „Onjuist”, zegt hij nu. Dat is zijn taak niet.

Maar de Serviërs waren kwaad. „We hadden een goede indruk van hem toen hij met de Albanese rebellen onderhandelde”, zegt een Servische diplomaat uit een Europese hoofdstad. „Maar nu is hij partijdig, hij is ongeschikt voor deze baan. Hij zal de twee gemeenschappen in Kosovo, Serviërs en Albanezen, nooit met elkaar kunnen verzoenen.”

Bij de VN wordt er al weken over gedacht om de VN in Kosovo te laten blijven – omdat Rusland en Servië dat eisen – en de EU-missie onder leiding van de VN uit te voeren. Maar zal de Kosovaarse regering dat accepteren? En wat gaat Pieter Feith dan doen? De Russen hebben hun collega’s in de VN-Veiligheidsraad al laten weten dat ze hem onacceptabel vinden voor welke rol dan ook.

Feith is goed in moeilijke missies, zeggen collega’s, omdat hij slim en charmant is, maar ook hard. En omdat hij een oplossing bedenkt voor elk nieuw probleem. Maar op wat er nu in New York en Brussel wordt beslist over Kosovo, heeft hij nauwelijks invloed. „Hij moet in Pristina iedere dag risico’s nemen, partij kiezen”, zegt Henne Schuwer, kabinetschef van De Hoop Scheffer. „Kan hij er zeker van zijn dat hij volledig wordt gedekt?” Kosovo is de belangrijkste EU-missie ooit. „Maar de EU heeft zich door Kosovo in een enorm wespennest gestoken.”

Feith zelf zegt dat zijn baan in Kosovo moeilijker is dan alles wat hij eerder heeft gedaan. En niet alleen omdat hij én de Europese Unie vertegenwoordigt, waarvan zeven landen Kosovo niet hebben erkend, én de internationale gemeenschap, waarmee de landen worden bedoeld die Kosovo wel erkennen en die de regering in Pristina willen helpen. „Ik speel op vijf schaakborden tegelijk. Vinden de Amerikanen Kosovo nog wel belangrijk? Hoe ontwikkelt zich het strategisch inzicht van Poetin, die opeens een harde lijn ging volgen? Hoe coherent zal de EU zich blijven gedragen?”

Zijn belangrijkste taak, vindt Feith, is rust creëren in Kosovo, verzoening naderbij brengen. En geen grote fouten maken.

Maar hoeveel steun zal hij krijgen als het echt nodig is? Zijn baas, Solana, heeft te maken met een EU-land als Spanje dat fel tegen de onafhankelijkheid van Kosovo is. Volgens een ambtenaar in Brussel die Solana én Feith goed kent, is Solana vriendelijker voor Servië dan Feith nodig vindt, en vindt Solana Feith te aardig voor de Albanezen van Kosovo.

Feith zegt: „Ik zal het moeten hebben van Washington, Berlijn, Parijs, Londen. Als je daar het vertrouwen verliest, is het einde in zicht.”

Kan het dan een mislukking worden voor Feith? Dat kan, zegt hij. „Maar zelfs als we over anderhalf jaar kunnen vaststellen dat Kosovo nog steeds een groot probleem is, kan ik toch zeggen dat het voor mij een mooi sluitstuk is geweest.”