Een beetje geloven

Had Rudy Kousbroek toch gelijk?, dacht ik terwijl ik de aardappelen voor de aardappelsalade in plakjes sneed. Koken is een meditatief werkje en mijn gedachten gingen hun gang, en stelden ineens deze vraag. „Je kunt niet een beetje geloven”, schreef Kousbroek jaren geleden, en hij herhaalde het telkenmale. Menigeen, ik ook, vond dat toen onzin. Sterker nog: het leek me ongeveer de enige mogelijke positie, een beetje geloven. Misschien is dat hele ietsisme wel een vorm van een beetje geloven: veronderstellen dat er ‘iets is’ zonder nader te specificeren wat dan en wat dat ertoe doet. Dat laatste vind ik vervelend, en ook tamelijk lui, het lijkt me meer een afmakertje. Je zegt dat er iets is, je vindt zo af en toe dat iets geen toeval kan zijn en daarmee is het klaar.

Herman Philipse, de verdediger van het atheïsme, placht bij discussies over het voordeel van (niet) geloven, te zeggen dat gelovigen moesten onderschrijven dat God bestond, wilden ze gelovig zijn. Bij die bewering viel hem altijd veel hoon van gelovige zijde ten deel: de gelovigen vonden dat een bespottelijke bewering. Zó moest je het niet zeggen. Ongelovigen vinden dat altijd de enige juiste bewering, voor gelovigen dan. En eerlijk is eerlijk, in de Bijbel wordt er ook vaak zo over gesproken, daar moet God ook gewoon wedstrijden doen met andere goden door wonderen te verrichten. De aanhangers van God triomferen op die manier nogal eens over Baäl-aanbidders – denk aan Elia die een kletsnatte stapel brandhout door zijn God in een laaiend vuur laat veranderen, terwijl Baäl er nog niet eens in slaagt een keurig droog houtstapeltje in vlam te krijgen. Dat is een duidelijk voorbeeld van ‘God bestaat’. Niet dat dat de vraag was: de Baäl-aanbidders zeiden niet dat er geen goden bestonden, zoals de aanhangers van de god van Israël niet twijfelden aan het bestaan van Baäl, de vraag was alleen welke god je het best kon aanbidden.

Hoe dan ook, nu denken we zo niet meer en we vragen ons soms af: is er wel iets dat beantwoordt aan dat wat wij God noemen?

Maar die vraag interesseerde me eigenlijk niet zo heel erg. Mij leek eerder de vraag: heeft het begrip God betekenis voor iemand of niet. Naar die betekenis ben ik heel lang op zoek geweest: wat bedoelen mensen als ze het over God hebben, wat bedoelen ze met die hele beeldtaal van de bijbel en de kerkelijke traditie, wat voor betekenis kan dat in een leven hebben?

Wie zich daar serieus in verdiept, vindt een hoop. Een constructie als de Heilige Drie-eenheid, die ooit een ingewikkeld, alleen voor haarkloverige theologen begrijpelijk soort bedenksel leek, werd geleidelijk aan helder, betekenisvol en uitgesproken zinvol. Het is helemaal niet zo moeilijk daar iets over te zeggen, zoals het niet moeilijk is de betekenis van de wederopstanding te begrijpen of zelfs van het laatste oordeel: het kan een zinvol denkbeeld zijn om een instantie buiten jezelf te veronderstellen die oordeelt over je daden. Misschien is het wel de makkelijkste manier om eerlijk over je gedragingen te oordelen, je tegenover een God te stellen die álles weet en doorziet en van een afstand bekijkt: hoe heb je gehandeld in het licht van een dergelijke beoordeling? En dan zijn er nog de rituelen van de kerk, het knielen, het zingen, de wierook, het licht door de ramen, de stilte na de eucharistie – dat alles is, als je niet voortdurend kribbig loopt te roepen: „Bestaat God nu of niet?” gemakkelijk betekenisvol te vinden, troostrijk zelfs, zinvol.

Voor mezelf noemde ik dat hele amalgaam denk ik: een beetje geloven. ‘Geloven’ omdat ik er zo veel aan beleefde. ‘Een beetje’ omdat ik natuurlijk níet dacht dat God hemel en aarde had geschapen, dat hij zich druk maakte of wij nu wel of niet condooms gebruiken of embryo’s selecteren. Religie, zo dacht ik, is een manier van praten en denken, het is een taal, eerder dan een verzameling dogma’s. De dogma’s zijn jammer, maar waarschijnlijk onvermijdelijk als je een godsdienst in leven wilt houden.

Laatst spraken we met een aantal mensen over het belang van de beeldtaal van het geloof, over, wat mij betreft, de noodzaak van verbeelding, verhalen, rituele gebaren. We leken het allemaal behoorlijk eens, tot iemand zei: „Maar dat heeft met geloven allemaal niets te maken.”

Oh. „Nee”, zei ze, „die beelden, begrippen als ‘hemel’ en dergelijke zijn maar gebrekkige hulpmiddelen”. Ja dat begreep ik ook wel, maar zij bedoelde het andersom: eerst is er geloof, een diepgevoelde overtuiging. Dan zijn er eventueel beelden, verhalen enz. om die overtuiging tot uitdrukking te brengen. Het is niet andersom: dat als je de verhalen maar goed verstaat en de betekenis van de symbolen aanvoelt, dat je dan gelooft.

De gelovigen in het gezelschap, allerminst van enigerlei dogmatische snit, zeiden dat ze, met aftrek van desnoods de hele kerk met alle bijbehorende opvattingen, toch, ten diepste zoiets geloofden als: dat dit een universum is waarin God uiteindelijk zal overwinnen.

Het was enigszins onthutsend. Want ik voel nergens iets dat zelfs maar lijkt op deze overtuiging. Wat ik (een beetje) ‘geloof’ noemde, is poëzie, literatuur, beeldspraak, religieuze ervaring, zingeving. Maar ‘een beetje geloven’ dat God uiteindelijk zal overwinnen, dat gaat natuurlijk helemaal niet. Je gelooft dat (of je gelooft iets vergelijkbaars, maar anders geformuleerd) of niet. De rest is kunst. Ontvankelijkheid voor schoonheid of betekenis. Dat is heel belangrijk, onmisbaar misschien zelfs, maar het is van een andere orde. En dus denk ik nu: Kousbroek had gelijk.

Reageren kan op nrc.nl/vos (Reacties worden openbaar na goedkeuring door de redactie).