Deserteurs zoeken nieuw leven na de FARC

Steeds meer leden van de guerrillabeweging FARC leggen de wapens neer om terug te keren naar de maatschappij. Buiten de jungle een nieuw leven opbouwen, valt hen zwaar.

Een lift? Nog nooit gezien. Een automaat die geld uitspuwt? Een grap? Een stadspark waar families in hun vrije tijd ontspannen? Waarom doen ze dat? In de rij staan in een supermarkt? Is dat nodig?

Voor veel deserterende leden van Colombia’s oudste en grootste guerrillabeweging FARC is de eerste confrontatie, na een leven in de jungle, met de grote stad een hard gelag. Alsof ze na een jarenlange slaap ontwaken in een ander tijdperk. Zoveel auto’s en lawaai. Kruispunten met gekke lampen met groene, gele en rode kleuren. Zebrapaden. Het is een bizarre ervaring, voor de vaak ongeletterde mannen en vrouwen.

Ook de 36-jarige José Orlando moest, zacht gezegd, wennen. Ruim zeventien jaar was Orlando toen hij als analfabete boerenzoon lid werd van de FARC (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia). De rimboe was vervolgens zijn thuis, zestien jaar lang.

Over zijn rechterschouder hing de vertrouwde AK-47. Een goed wapen met een behoorlijk bereik. Op zijn rug een tas met munitie. Nu gebruikt Orlando zijn lichaam voor andere zaken. In zijn woonwijk in Bogotá sjouwt hij dagelijks met zijn Haceb wasmachine (17 liter) op de rug naar klanten die er wasjes in draaien.

Santa Rosa, de buurt van Orlando, ligt hoog, tegen de bergen opgebouwd, aan de buitenkant van miljoenenstad Bogotá. Smalle steile straatjes. Kleine huizen. Blaffende straathonden. Een schooltje. Een bakker. Een parkeerplaats met oude afgeragde auto’s. „Die bruine daar”, zegt Orlando, terwijl hij naar een jarenzeventigmodel wijst, „is van mij.”

Orlando is én van de grofweg 33.000 voormalige guerrillero’s en paramilitairen die deelnemen aan het reïntegratieprogramma van de regering. Eerst vielen deze herintreders onder verantwoordelijkheid van het ministerie van Binnenlandse Zaken. Sinds 2006 is het programma ondergebracht bij de Hoge Commissie voor Reïntegratie, die onder de president valt.

Het oude programma hield niet meer in dan een paar maanden financiële steun en een baantje. Begeleiding was er amper, een stabiele omgeving afwezig. Een moeilijke overgang voor mensen die, vaak van kinds af aan, lange tijd in een gesloten cultuur van discipline hebben geleefd. Plotseling op eigen benen staan, zelf verantwoordelijk zijn voor je daden, is dan moeilijk. In 2006 veranderde de regering-Uribe haar aanpak, geïntensiveerd. Met een jaarbudget van 250 miljoen dollar en 700 medewerkers is de inzet hoog.

De deelnemers, meestal gewone voetsoldaten, krijgen psychologische begeleiding en een verplichte opleiding. Zij moeten zich leren te gedragen in de maatschappij en hen wordt bijgebracht hoe je een familieleven leidt. Hun politieke idealen zijn ze kwijt, dromen hebben ze eigenlijk niet.

Hun families worden ook bij het programma betrokken. Om de cohesie te versterken en de kans op terugval te verkleinen. En er wordt tevens voor woonruimte gezorgd. „Het is niet eenvoudig, je moet er bovenop blijven zitten, voor lange tijd, tot vijf, zes jaar”, zegt Nastassia Kantorowics Torres, medewerkster van het programma.

De commandanten, als die verdacht worden van misdaden tegen de menselijkheid, staat na overgave een ander proces te wachten. Zoals bijvoorbeeld de vrouwelijke guerrillaleidster van de FARC, Nelly Ávila Moreno, beter bekend als ‘Karina’, die zich onlangs overgaf. Zij zal zich voor de zogeheten Commissie voor Justitie en Vrede moeten verantwoorden.

Haar straf zal ze niet ontlopen. Maar die zal wel korter zijn als Karina schuld bekent, aangeeft of ze bezittingen heeft en die overdraagt aan de overheid, en openlijk haar excuses aanbiedt aan nabestaanden van haar slachtoffers. In de gevangenis zitten circa 670 ex-guerrillastrijders en paramilitairen die dit traject volgen.

Dit jaar hebben al ruim duizend leden van de FARC zich overgeven. De groep kreeg de afgelopen maanden harde klappen te verduren, in het bijzonder met de dood van drie belangrijke leiders. De recente deserteurs zullen, net als José Orlando, moeten meedoen aan gemeenschapsprojecten, zoals het aanleggen van parken. Daarbij worden ook de families van de slachtoffers betrokken.

Dat laatste is noodzakelijk om het verzoeningsproces te stimuleren, de tegenstellingen in de Colombiaanse maatschappij te verminderen en scheve ogen te voorkomen. Want het reïntegratie programma is relatief riant voor de voormalige strijders, in een land waar tegelijkertijd veel armoede heerst en talrijke families van slachtoffers van het geweld leven.

Voor de laatste groep heeft de regering van president Uribe inmiddels een fonds met geld opzij gezet. Al zo’n 130.000 mensen hebben zich aangemeld bij het fonds.

In Santa Rosa woont Orlando, samen met zijn vrouw Esperanza en vier kinderen, nu in een eigen huisje. Van steen, met toilet en bovenverdieping. Met dank aan het programma. Aan de muur in de huiskamer hangt een poster met een afbeelding van Zürich. Een grote koelkast, een magnetron, een televisie, een dvd-speler. „Voorheen had ik alleen mijn kleren, voedsel voor drie dagen.”

Esperanza schuift even later aan. Roze T-shirt, rode broek, geblondeerd haar en vuurrode lippenstift. Ze is 27 jaar en zat ook bij de FARC, acht jaar. Samen met José ontsnapte zij in 2005. Het vertrek was vooral pijnlijk voor José. Hij geloofde in de revolutie. Voor hem stond die boven alles: het streven naar een samenleving zonder armoede waarin iedereen gelijk is .

Het liep uit op een fiasco. Met ontvoeringen en drugstransporten spekte de FARC haar kas, maar het geld ging volgens Orlando niet naar de armen. Verbitterd en gefrustreerd keerde hij de organisatie, die zestien jaar zijn surrogaatfamilie was geweest, de rug toe.

In de straten van Bogotá moest hij ineens zelf beslissingen nemen. Een nieuw ideaal vinden om voor te leven. Soms verlangt hij terug naar het leven als strijder. Als hij geen kinderen en vrouw had gehad, dan zou hij zich hebben aangemeld bij het leger. Hij zegt: „Maar ik leef nu voor mijn kinderen en dat is meer dan genoeg.”