China leeft nog in de wereld van 80 dollar per vat

Benzine is schaars in China, maar de overheid houdt de prijs laag uit vrees dat de toch al hoge voedselprijzen zullen exploderen als boeren meer moeten gaan betalen voor hun brandstof.

Motorrijders staan in de rij voor een benzinepomp in Jiangyou. In China krijgt de industrie als eerste olie geleverd, daarna komen de tankstations pas aan de beurt. Foto Reuters Motorcyclists queue for petrol in the earthquake-stricken county of Jiangyou, in Sichuan province, May 15, 2008, four days after a powerful 7.9 tremor. The deadliest earthquake to hit China in three decades has killed nearly 15,000 people and the toll is likely to rise sharply as tens of thousands more remain buried under debris three days after the Monday tremor. REUTERS/Claro Cortes IV (CHINA) REUTERS

Zhu Meiyun, de jonge manager van de benzinepomp bij het dorp Shiliying in de Chinese provincie Shangdong schreeuwt in zijn mobiele telefoon dat hem beloofd was dat er vandaag 5.000 liter diesel afgeleverd zou worden. „Het is oogsttijd, iedere boer komt hier iedere dag om de tank van zijn trekker te vullen, maar mijn tanks waren rond de middag al leeg”, legt hij uit.

Voor het Sinopec-station heeft zich bij het invallen van de duisternis een rij van zeker honderd stoffige landbouwmachines, roestige vrachtwagens en opleggers met gele en blauwe jerrycans gevormd. De ondergrondse tanks van manager Zhu zijn leeg, al urenlang. Parallel aan deze rij staan scooters, personenauto’s en motoren te wachten. Er wordt gekaart, gerookt en geslapen.

„In deze tijd van het jaar ben ik meestal in een halve dag door mijn voorraad heen. Er is gezegd dat wij in verband met de graanoogsten voorrang zouden krijgen, maar nu zeggen ze dat ze pas morgenochtend komen.” Hij staat op om dat nieuws aan de wachtenden te vertellen. Niemand vertrekt, want dat heeft geen zin, dit is routine, sommigen gaan onverstoorbaar door met kaarten, verderop wordt gekookt, anderen rollen een kleed uit en gaan slapen.

Zhu weet niet dat de prijs van een vat ruwe olie inmiddels omhooggeschoten is naar 139 dollar en dat China samen met India en internationale speculanten verantwoordelijk worden gehouden voor deze prijsschok. De ministers van Financiën van de groep van acht rijkste landen ter wereld, aangevuld met hun collega’s uit China en India, kwamen afgelopen weekend bijeen in Japan voor een zorgelijk getoonzette, maar uiteindelijk machteloze bijeenkomst.

Wat hij wel weet, is dat pomphouders in heel China te kampen hebben met tekorten en lange rijen wachtenden, want dat is op zijn televisietoestelletje te zien. Zhu weet ook dat de oliemaatschappijen steden met industriezones, strategische sectoren en sommige industrieën wel gewoon bevoorraden, op instructie van Peking.

Shiliying in het zuiden van de provincie Shangdong is gesitueerd te midden van glooiende korenvelden. Daaronder bevinden zich uitgestrekte kolenmijnen en ironisch genoeg ook een gigantisch olieveld. „De tankstations bij de mijnen krijgen altijd voorrang vanwege de kolentransporten.” Dat lijkt te kloppen, want de diesellocomotieven van de mijn Haopa vertrekken zodra de wagons zijn gevuld.

Zestig kilometer verderop ligt Jining, een stad, of beter een uitgestrekte economische zone met daaraan vastgeplakt enkele woonwijken. Ook daar zijn de benzinestations goed bevoorraad en is het voltanken van een Chinese SUV geen enkel probleem. De getankte 65 liter diesel kost nog geen 30 euro, minder dan de helft van de prijzen in Europa en de VS.

„De Chinese overheid houdt de prijzen aan de pomp kunstmatig laag en subsidieert de oliemaatschappijen. Maar die oliemaatschappijen krijgen de wereldprijs niet volledig vergoed en kampen met financiële problemen.”, zegt Dong Tao, hoofdeconoom van Credit Suisse in Hongkong.

Het belangrijkste argument voor de autoriteiten in Peking om de vier grote olie- en raffinagebedrijven te compenseren voor het feit dat zij de wereldmarktprijs niet mogen doorberekenen aan de klanten van manager Zhu is inflatiebestrijding. Als Chinese boeren voor een liter diesel dezelfde prijs zouden moeten betalen als de boeren, vissers en vrachtwagenchauffeurs in Europa, dan zouden de voedselprijzen exploderen.

„Het bestrijden van de inflatie heeft absolute prioriteit, omdat voor sociale onrust wordt gevreesd als de prijzen van varkensvlees, eieren en rijst nog meer stijgen dan nu al het geval is”, aldus econoom Dong. Alleen al de stijging van de prijs van een kilo runderlapjes met 51 procent in ruim een jaar heeft voor veel beroering gezorgd.

Analisten schatten dat de inflatie (in april 8,5 procent inclusief levensmiddelen, maar slechts 1,5 procent zonder levensmiddelen) zou uitkomen op 15 procent als de internationale olieprijs zou worden doorberekend aan de pompen.

China kan zich deze subsidies voorlopig probleemloos permitteren. Eerder deze maand werden de verliezen van Sinopec (1,3 miljard euro) en CNPC (1,8 miljoen euro) door de staat vergoed. De Chinese staat heeft een begrotingsoverschot van 175 miljard euro.

Terwijl de VS, Europa, maar ook Japan en Indonesië meer dan 135 dollar per vat betalen, leeft China daarom nog in „de wereld van 80 dollar per vat”. En dat zal, ongeacht de internationale druk, ook niet snel veranderen. Die druk komt overigens alleen van de VS en sommige Europese landen, want in de vage slotverklaring van de G8-ministers van Financiën wordt met geen woord gesproken over de Chinese oliesubsidies. Dat de ministers geen gezamenlijk antwoord konden formuleren, kwam doordat hun belangen tegengesteld waren. Rusland is een productieland en China beschouwt zichzelf net als India als een ontwikkelingsland.

„Geef ons niet de schuld, pak die speculanten bij jullie maar aan”, adviseerde Zhang Gubao, de Chinese onderminister van de machtige Nationale Ontwikkelings- en Hervormingscommissie, zijn collega-ministers. Dat neemt niet weg dat ook China er geen belang heeft bij een wereldwijde recessie als een vat olie, zoals wordt voorspeld, nog dit jaar 200 dollar gaat kosten.