Besmuikt lachen om het leed van een ander

Nederland is volledig in de war over de grenzen van de vrijheid van meningsuiting.

De onbeschoftheid van cabaretiers als Theo Maassen zet de verkeerde trend.

Illustratie Bas van der Schot Schot, Bas van der

Afgelopen maandag sprak de Amsterdamse rechtbank columnist Arnold Scheepmaker vrij van het beledigen van joden. In september 2006 schreef Scheepmaker in het studentenblad Havana: „Sinds de nazitijd is het niet echt cool om negatieve dingen te zeggen over joden, maar soms snap ik best hoe het in 1937 allemaal zo ver heeft kunnen komen.” In zijn column vertelde Scheepmaker dat hij zich had geërgerd aan het onbeschofte gedrag van Israëlische toeristen in Egypte en in een Nederlands postkantoor. Vandaar die opmerking.

Volgens de rechtbank bleef Scheepmaker met zijn publicatie binnen de strafrechtelijke grenzen van de vrije meningsuiting. De rechtbank oordeelde dus dat er in Scheepmakers column sprake was van het uiten van een mening. Welke mening was dat? Het loont de moeite dat eens stap voor stap na te gaan.

Volgens Scheepmaker is het te begrijpen dat er zes miljoen joden zijn uitgemoord. Waarom? Omdat Israëlische toeristen zich onbeschoft gedragen. Scheepmaker impliceerde: Israëli’s van tegenwoordig zijn onbeschoft, Israëli’s zijn joden, ergo: alle joden zijn onbeschoft. De zes miljoen hadden volgens Scheepmaker dezelfde karaktertrek die nu Israëlische toeristen kenmerkt: onbeschoftheid. Het is daarom soms best te snappen dat ze zijn uitgeroeid. Dat is de enige ‘mening’ die uit Scheepmakers verhaal kan worden gedistilleerd.

De rechtbank oordeelde dat deze mening valt onder de ruimte die columnisten moet worden gelaten om te ‘overdrijven’. Impliciet beaamde de rechtbank daarmee Scheepmakers verweer dat hij met zijn column ‘wilde bijdragen aan het maatschappelijk debat’. Het had menselijker en genuanceerder gekund, vond de rechtbank, maar dat is nu eenmaal de vrijheid van de columnist.

Als we de overdrijving er aftrekken, houden we volgens de rechtbank dus een mening over waarmee niks mis is. Wat houd je over als je de mening dat alle joden onbeschoft zijn, waardoor hun uitroeiing begrijpelijk wordt, van zijn overdrijving ontdoet? De uitspraak bevat drie elementen die overdreven kunnen zijn: de mate van onbeschoftheid van de joden, het aantal joden dat onbeschoft is en de omvang van de moord die op grond van die onbeschoftheid begrijpelijk wordt.

De rechtbank ziet dus niets verkeerds in een of meer van de volgende meningen. Ten eerste: de joden zijn wel onbeschoft, maar niet heel érg onbeschoft. Ten tweede: niet al die zes miljoen joden waren onbeschoft, er zat ook een aantal niet-onbeschofte tussen. En ten derde: het streven om ze op grond van die onbeschoftheid uit te roeien was overdreven; een minder strenge sanctie was ook wel genoeg geweest.

Aan Scheepmakers publicatie en de gedachtengang van de rechtbank vallen een paar dingen op. Ten eerste de grote verwarring waaraan Nederland ten prooi is als het gaat om de grenzen van meningsuiting. Ten tweede de ondraaglijke lichtheid van het taalgebruik waarmee Scheepmaker aan de massamoord refereert. ‘Niet echt cool’, ‘soms’, ‘snap ik best’ – het is even casual is als de bewoordingen waarin je over de laatste ruzie met je vriendinnetje vertelt. Ten derde de vanzelfsprekendheid waarmee een columnist de spot drijft met slachtoffers van de massamoord. Scheepmaker wekt de indruk dat hij, toen hij zijn column schreef, zich van geen kwaad bewust was. Openbaar leedvermaak is in Nederland de laatste jaren bijna normaal geworden.

De lijst is lang en welbekend: Theo van Gogh (‘Vandaag verbranden ze alleen de suikerzieke joden’), programmamaker Robbie Muntz (die voor de lol vrome Antwerpse joden met een brallende Hitler confronteerde), Paul de Leeuw en Beau van Erven Dorens (die het geinig vonden om de joodse professor Smalhout met Hitler te vergelijken), Jan Jaap van der Wal (die de spot dreef met het feit dat Hirsi Ali ‘geen clitoris meer heeft’), Micha Wertheim (die een gehandicapte in de zaal tot mikpunt maakte) en twee zaterdagen terug nog Theo Maassen, die de camera van een fotograaf vernielde.

Niet alleen door deze reeks voorgangers moet Scheepmaker zich gesterkt hebben gevoeld, maar ook door de reacties van omstanders. Bij het tv-programma waarin Van der Wal Ayaan schoffeerde, waren ook de Amsterdamse wethouder Fatima Elatik en Wouter Bos aanwezig. Ze liepen niet weg, maar proestten besmuikt achter hun hand, onder donderend gelach van het publiek. Zoals het publiek ook en masse applaudisseerde voor het voorstel van Theo Maassen om die fotografe te grazen te nemen.

Zowel de fotografe als de gehandicapte man van Wertheim verliet huilend de zaal. Slachtoffer van een soort volksgericht. Eenzamer en vernederender kan het niet. Tegen die achtergrond is zo’n uitspraak van Arnold Scheepmaker nauwelijks meer opvallend. Vandaar misschien die uitspraak van de rechtbank. Een uitspraak die deze krant niet eens meer haalde.

Herman Vuijsje is socioloog en publicist.