Zijn mes, maar de schuld van jeugdzorg

Wie staat er voor de rechter en waarom? Een echtpaar dat lijdt onder huiselijk geweld, of worden ze door de instanties te gronde gericht?

Door Rinskje Koelewijn

Soms kun je in de rechtszaal bij mensen achter de voordeur kijken. Zie Adri (39) en Sylvia (38) zitten. Hij mager en bleek met lang, vlassig blond haar. Haar haar is donker, haar gezicht ook bleek. Alsof ze weinig buiten komen.

Op het eerste gezicht lijken ze een doorsnee Amsterdams stel. Alleen hun gezichten drukken iets onzegbaars uit. Wanhoop? Woede? Of berustende agressie, als dat tenminste bestaat. Hij gaat zitten in de verdachtenbank. Zij zit een tafel verderop.

Adri staat terecht voor twee feiten: in juni 2007 heeft hij zijn vrouw bedreigd. Eerst met een mes en daarna met woorden. Als ze nog een keer zou terugkomen, had hij gezegd, dan zou hij een pistool pakken.

Misschien dat Sylvia daarom zo schrok toen ze in zijn klerenkastdrie wapens vond. Een gas-, een lucht- en een veerdrukgeweer.

Beide keren is Sylvia zelf naar de politie gegaan. De eerste keer in juni, na het incident met het mes. Hij had haar, tijdens een ruzie, een mes laten zien. En voelen. En had iets gezegd over pijn voor het leven.

Na die ruzie was ze boodschappen wezen doen, had geen sleutels en belde aan bij haar huis. Ze wist dat Adri thuis was, met hun zoontje. Maar hij deed niet open. In paniek ging ze naar de politie. Ze was, zei ze daar, bang dat hij nog boos was. Ze zei ook dat hij zijn medicijnen niet nam, en dat ze dacht dat hij zou doorslaan.

Dat van dat mes klopt, zegt Adri. Maar dat was symbolisch bedoeld. „Ik wilde zeggen dat de pijn van een messteek overgaat. Maar de wond die je krijgt als je kinderen worden weggehaald, geneest nooit meer.” Twee van hun kinderen zijn door jeugdzorg uit huis geplaatst.

Dat had Sylvia dan niet helemaal begrepen. Want boos, nee, boos was hij niet. Toen zij stond aan te bellen, lag hij gewoon te slapen. Die bel heeft hij nooit gehoord. Of ja, één keer, en toen hij opendeed, stond daar ineens de politie. En die begon over wat hij allemaal verkeerd deed, en zij stond ook nog van alles te roepen. En toen zei hij dat van dat pistool, waar hij nu veel spijt van heeft overigens.

De medicijnen? Die neemt hij niet meer. Ze zeggen dat hij schizofreen is, spychotisch zegt Adri zelf. Maar dat is over. Die pillen heeft hij niet meer nodig.

En dan de wapens. Plastic kinderspeelgoed. Allemaal defect bovendien. Het ziet er gevaarlijk uit, zegt hij, maar het stelt niks voor. Dat zijn vrouw ervan schrok, kan hij achteraf wel begrijpen zegt hij. Haar ex-vriend, de man die eerst haar stiefvader was, die was zwaar crimineel. Die sliep met een wapen onder zijn kussen. „En toen heeft ze een link gelegd met mij.”

Sylvia heeft van beide incidenten aangifte gedaan. De politie, zegt ze, heeft haar dat gevraagd. En ja, ze heeft ook eventjes in een Blijf-van-mijn-lijfhuis gezeten. Om tot rust te komen. Of liever, om hem tot rust te laten komen. Want bang was ze niet. Nooit geweest ook, zegt ze.

Sylvia heeft een brief geschreven aan de reclassering en aan de rechter. De rechter leest hem voor: we worden, schrijft ze, te gronde gericht door de instanties. De politie, de jeugdzorg probeert ons gezin te vermoorden. Ze schrijft dat ze geen leven meer hebben, dat er nooit sprake is geweest van huishoudelijk geweld en dat de hele wereld tegen haar en haar man is.

De rechter kan het niet helemaal volgen. Die vraagt, aan Sylvia: dus u was niet bang?

Nee, antwoordt Adri, we hadden stress, wegens de kinderen. Er waren financiële problemen. Maar de relatie was wel goed. Nu zijn ze allebei overspannen. Door al het gedoe.

De officier van justitie kan het heel goed volgen. Hij zegt dat dit een typisch staaltje huiselijk geweld is. Mevrouw is bang, gaat naar de politie, ze zet daarmee een heel circus in gang, schrikt daarvan, heeft spijt en trekt haar aangifte in. Zo gaat het heel vaak.

Maar ik ben helemaal niet bang, sneert Sylvia. Jawel, zegt de officier, u was angstig. In één adem gaat hij door. Geweld binnen het gezin, zegt hij, vinden we heel ernstig. Zo ernstig dat de overheid de touwtjes van u overneemt. Wij nemen de regie.

De rechter wil Adri nog wel het voordeel van de twijfel geven. Dat het mes en de bedreiging niet zo bedoeld waren. Maar die nepwapens, ze laat er plaatjes van zien, die zien er zo echt uit en roepen zoveel angst op, dat ze alleen om die reden al verboden zijn.

Ze legt hem dertig uur werkstraf op, en een week voorwaardelijke celstraf. Misschien tegen beter weten in, spoort ze Adri en Sylvia aan er samen uit te komen. „Want blijkbaar wilt u met elkaar verder.” En voor Adri heeft ze ook nog een tip. Die moet als hij weer boos wordt maar tot tien tellen. Of een blokje om.