Zieligheid wordt hier gefaciliteerd

Maestro Valery Gergjev heeft met vier uitvoeringen van Ein Deutsches Requiem van Johannes Brahms na twintig jaar afscheid genomen als chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Ik zat tijdens de tweede uitvoering in de Rotterdamse Doelen ergens op een zijbalkon, op een plaats waar ik de dirigent, het koor en het grootste deel van het orkest kon zien.

Het gaat ver boven mijn competentie een onderbouwd oordeel te geven over de kwaliteit van de uitvoering, en bovendien is daar hier de plaats niet voor. Wel mag ik zeggen dat ik al bij de eerste maten buitengewoon ontroerd raakte, en verder dat ik vanuit het oogpunt van leiderschap en organisaties gefascineerd heb zitten kijken naar wat zich afspeelde tussen enerzijds de dirigent en anderzijds het orkest, waar ik in dit geval het koor ook maar even bij reken. Wat de dirigent doet, heet orkestdirectie, en het woord suggereert daarmee dat een dirigent en een directeur ongeveer met hetzelfde bezig zijn. Maar bij Gergjev zag ik geen houten bureau waarachter hij zich kon verschansen, geen managementteam en geen stafafdelingen. Wat ik voor me zag gebeuren deed in het geheel niet denken aan een corporate executive, maar afwisselend aan een dompteur in een leeuwenkooi en aan de dans van een liefdespaar. Dit was persoonlijk, de man stond er alleen voor, zonder delegatie of hulpmiddelen. Het was lichamelijk, verleidend, prikkelend, uitdagend en verlokkend. Het orkest was één machtig instrument, en Gergjev bespeelde het met heel zijn kunst en al zijn vermogens. Zo ontstond een betovering en een ontroering waarin de zaal werd meegevoerd.

Toch was er bij de schoonheid en de ontroering iets dat niet klopte. Hoewel de uitvoering een samenvloeien was van persoonlijke energie bij de dirigent en betrokkenheid van de orkestleden, zat er een irritatie in die gaandeweg ergerlijker werd. Die zat in een kleine instrumentengroep, waarvan de leden braaf hun nootjes speelden wanneer zij aan de beurt waren. Maar daarna checkten ze uit, totdat ze weer wat moesten doen. Intussen zaten ze een beetje rond te kijken, een been over het andere en weer terug, en een beetje te rommelen met hun instrumenten. Ze waren er wel maar ze waren er ook niet bij, en ze hadden geen deel aan het magische web dat Gergjev probeerde met en om zijn orkest te spinnen. Zo zag ik gaandeweg een soort zwart gat ontstaan op de plek waar zij zaten. Gergjev probeerde met beweging en oogcontact iedereen te verleiden en te verlokken, maar zij waren niet bereikbaar. Bekijk het maar, was de onuitgesproken boodschap, wij spelen onze nootjes en verder hopen we dat het applaus niet te lang duurt want we moeten straks de trein nog halen. Een van hen presteerde het zelfs, twee maten voor het einde alvast een afsluitende zwaai met zijn arm te maken. Wat bezielde die man? Had de dirigent hem soms om hulp gevraagd? Of vond hij dat het orkest een oppositieleider nodig had?

Toevallig zat ik een paar dagen later bij de toneelvoorstelling van De familie Avenier. Een van Nederlands topacteurs, Gijs Scholten van Aschat, heeft daar in het laatste deel nauwelijks een regel tekst. Maar hij staat wel de hele tijd op het toneel en blijft met zijn blik en aanwezigheid de voorstelling dragen. Daar gaat het om. Spelen is vooral ook meespelen.

Gergiev is niet een man die vraagt om meewarigheid. Toch raakte het mij. Zijn moeder was ernstig ziek, wist ik, en hier probeerde hij met het beste van zijn professionele en muzikale kunnen een requiem uit te voeren dat Brahms voor zijn eigen moeder had gecomponeerd. Dit was duidelijk niet een productienummertje, dit was persoonlijk. Hij zat er met hart en ziel in, het orkest volgde, voorbij de techniek tot in het gevoelscentrum van het werk. Toch was het met die wegkijkende instrumentengroep alsof een meesterpianist probeerde een stuk tot uitvoering te brengen op een vleugel met twee ontstemde of ontbrekende snaren. Daar komt niet uit wat erin zit, hoe technisch perfect het instrument ook is en hoe virtuoos de pianist.

In interviews rond zijn afscheid heeft Gergiev zich bezorgd uitgelaten over de toekomst en het niveau van de Nederlandse muziekwereld. De bedreigingen komen van twee kanten, een volksaard die niet is gespitst op topkwaliteit, en een rommelig bestuurlijk klimaat. Het tafereel met de mentaal afwezige instrumentengroep leek mij exemplarisch voor beide. Ongetwijfeld heeft Gergjev als veeleisende orkestleider een paar keer indringend met deze mensen gesproken in de trant van meedoen of opkrassen. Toch zitten ze er nog, door onbegrip, zwak management of door een ondoordringbare ontslagbescherming. De uitkomst is een lange neus naar de dirigent, naar gemotiveerde collega-orkestleden, naar het publiek en naar de Nederlandse muziekcultuur.

Ontslagbescherming geldt als waarborg voor de zwakken, want het zou toch zo zielig zijn als deze mensen werden weggestuurd. Je hoeft in Nederland maar de indruk van slachtofferschap te maken of je hebt alle belangenbehartigers en hulpverleners aan je zijde. Maar laten we dan ook even kijken naar die zielige, wél gemotiveerde musici die nu droog brood eten, die dolgraag op deze plekken zouden zitten en in Gergjevs magie de sterren van de hemel zouden spelen. Of naar de dirigent, die onverschillig afgewende blikken moet dulden terwijl hij bezig is sterven en verlossing in muziek uit te drukken. Of de collega-orkestleden, die onnodig stroomopwaarts moeten roeien om toch een topprestatie neer te zetten. Of naar het zielige publiek voor mijn part. Zieligheid wordt in dit land uitgebreid gefaciliteerd. Geen wonder dat er veel aanbod van is.

Tegelijk wordt er gemopperd over onze zesjescultuur, die daar nauw mee samenhangt. Met dat mopperen kunnen we nog jaren doorgaan zolang we het er op nationaal niveau over blijven hebben. Het verandert pas als we op de werkvloer, op school of op het concertpodium zesjes dringend kunnen uitdagen voor een acht of negen te gaan, of anders op te hoepelen en plaats te maken voor anderen die dat wel willen.

Overigens is het Rotterdams Philharmonisch een prachtig orkest.

    • Johan Schaberg