woyzeck

Boekverfilmingen zijn altijd goed voor discussie: is het boek beter of de film? Joyce Roodnat weet dat het allebei kan. Zij koos negen boeken en verfilmingen die beide een meesterwerk genoemd kunnen worden. Deze maand Woyzeck, van schrijver Georg Büchner en filmmaker Werner Herzog.

Werner Herzog (München, 1942). Studeerde geschiedenis, literatuur en theaterwetenschappen. Begon in de vroege jaren zestig met het schrijven en regisseren van heftige speelfilms als Jeder für sich und Gott gegen alle (1974, over de raadselachtige ‘vondeling’ Kaspar Hauser ) en Fitzcarraldo (1982). In een aantal van zijn speelfilms had de grillige acteur Klaus Kinski de hoofdrol, over wie hij in 1999 een documentaire maakte onder de veelzeggende titel Mein liebster Feind. Wijdde in de afgelopen 15 jaar zijn talent vooral aan documentaires over vergaande onderwerpen, zoals Little Dieter needs to fly (1997, over een voormalig krijgsgevangene in Laos; in 2006 maakte hij de speelfilm Rescue Dawn over diens ervaringen) en Grizzly Man (2005). HOLLYWOOD, CA - MARCH 5: Director Werner Herzog attends the premiere of Anchor Bay's "The Grand" at the Cinerama Dome March 5, 2008 in Hollywood, California. (Photo by Mark Mainz/Getty Images) Getty Images

Hoe ziet een weerloze mens eruit? Afgepeigerd.

Werner Herzog begint er zijn verfilming van Woyzeck mee, het intrigerende toneel-‘fragment’ van Georg Büchner.

Waar Büchner die weerloosheid literair heeft verwoord in elliptische zinnen, eigent Herzog zich Büchners soldaat Woyzeck toe in een nadrukkelijk woordeloze openingsscène op pompende boerendansmuziek. De beeldjes versnelde hij tot het tempo van een oude lachfilm.

We zien hoe soldaat Woyzeck wordt onderworpen aan een strafexercitie. Marcheren. Geef acht. Marcheren. Presenteer geweer. Marcheren. Geef acht. Tijgeren. Tijgeren. Tijgeren. Fout! Opdrukken. Tien keer. Nog tien keer. Bezwijken. Laars in nek.

Klaus Kinski vervult de rol van Woyzeck, de man die ‘door de wereld [loopt] als een open scheermes’, zoals de tekst het wil. Toen Herzog deze film maakte, waren Kinski en hij net klaar met de Dracula-adaptatie Nosferatu. Kinski was zwaar vermoeid, wat ze weer exploiteerden voor hun Woyzeck.

De exercitie ziet er akelig echt uit. Kinski hijgt. Herzogs camera staart naar zijn openhangende mond, zijn opgetrokken neusvleugels, zijn schedel onder de grauwe huid. Kinski’s Woyzeck wankelt maar hij geeft niet op. Hij is de geboren knecht die tot elke prijs zijn best doet omdat hij veronderstelt dat iemand (God?) hem dat op enig moment zal lonen.

Tegelijkertijd suggereert Herzog Woyzecks gedachten, ze trekken als wolkschaduwen over zijn vuile gezicht. Denken is bespottelijk voor zo’n armoedzaaier, daar wijst die hortende comedy-capersversnelling op.

Hier blijkt dat wat Herzog betreft vernedering niet het ergste is. Dat schept tenminste duidelijke verhoudingen en orde in de dingen. Nee, het werkelijke gevaar schuilt in Woyzecks hersens. Die malen en maken hem ontembaar weerloos.

Dat ligt dus allemaal besloten in die eerste ‘buiten-Büchneriaanse’ scène – ik wil maar zeggen, Werner Herzog is een groot filmer.

Büchners Woyzeck (1837) is een fameus toneelstuk met een enorme reputatie. Beroemde theatermakers maakten overal ter wereld navenante ensceneringen, Alban Berg baseerde er in 1926 zijn grandioze opera Wozzeck op. Het stuk is een vreemd stuk. Het bestaat uit losse scènes, miniaturen van een taal. Ze duiken als het ware op in een kleine donderwolk en smelten weer weg. Het trieste verhaal van Woyzeck wordt eigenlijk altijd geïnterpreteerd als een aanklacht tegen sociaal onrecht. Dubbeltjes die geen kwartjes mogen worden, dat werk.

Werner Herzog is, behalve een oerromanticus, iemand die bezeten is van zijn vak. Terwijl hij het toneelgehalte van dit stuk in stand hield, met spitse, onderscheiden scènes, legde hij er de filmkunst overheen.

Hij filmde zijn Woyzeck (1979) met langdurige camera-instellingen, zonder veel beweging. Dat betekent niet dat het ooit statisch wordt. De acteurs bewegen als kevers in een potje (in een van de meest aangrijpende scènes rent Woyzeck door een veld hoog opgeschoten papavers in de knop – ze sidderen en ritselen met hem mee als een antiek Grieks koor). Het is dus alsof je naar een toneelstuk zit te kijken, maar dan wel door de ogen van de filmer Herzog. Hij stuurt je blik. Heeft hij je waar hij je wil hebben, op de jaarmarkt, in de kroeg, in de kamer waar een vrouw het avondlicht vangt in een spiegeltje, dan pint hij je vast.

Anderzijds zag hij af van filmtrucs waar hij ze in alle eer en deugd had kunnen toepassen. Bekijk bijvoorbeeld via de stop-motiontoets op de dvd-speler de scène met de naar beneden gegooide kat die door Woyzeck wordt opgevangen. Dat schrijft het stuk voor maar op het toneel kan zoiets niet. Film kan zoiets piekfijn suggereren, maar Herzog laat het beest écht omlaag gooien, waar het écht door Woyzeck wordt opgevangen.

Herzog liet Büchners stuk nagenoeg intact. Hij schrapte een bijrol en een scène, soms slaat hij een zin over. Hij veranderde de traditoneel aangehouden volgorde van de taferelen ten behoeve van een min of meer psychologische logica – dat voelt niet als verraad aan Büchner van wie we immers niet kunnen weten welke volgorde hij aangebracht zou hebben als hij het stuk voltooid had.

Net als het stuk vertelt de film het lot van een 19de-eeuwse soldaat in een provinciale garnizoensplaats: we zien hem als proefkonijn van de plaatselijke arts, als voetveeg van zijn garnizoenskapitein, als mikpunt van de tamboermajoor die zijn rivaal in de liefde is. En ten slotte maken we hem mee als de moordenaar van zijn geliefde, Marie.

Een verhaal als dit vraagt erom sociaal bewogen te worden aangepakt. En dat doet Herzog dan ook, maar in het voorbijgaan. De machthebbers zijn lomp, de ondergeschikten bête, dat is een natuurlijk gegeven ramp; niet iets om voor op de barricaden te gaan.

Het komt erop neer dat Herzog Woyzeck te hoog heeft zitten om hem te beperken tot een symbool van ellende. Wie zich eerdere Herzogfilms voor de geest haalt, begrijpt hoe dat komt. In bijvoorbeeld Aguirre, Fitzcarraldo en Nosferatu en ook in veel van zijn documentaires, zoals recentelijk weer Grizzly Man (over de man die werd opgegeten door de beren voor wier behoud hij zich inzette), spiegelt Herzog zich obsessief aan de eenling die compromisloos zijn eigen weg gaat. Zo’n figuur is zoals hij is, omdat hij niet zou weten hoe hij anders zou moeten zijn. En niemand kan hem breken, want hij weet niet hoe dat moet, je laten breken.

Zo ook kneedt Herzog zijn Woyzeck. Hij blijft een miserabele soldaat, maar hij krijgt een andere identiteit: voor Herzog is hij een dichter en dat wordt zo snel mogelijk aangegeven, na de introductie van de film.

Woyzeck wordt bespot door zijn kapitein, maar hij geeft geen krimp. Hij kent zijn plaats, hij houdt zijn mond. Ineens verlaat Herzog een dan al minuten durend shot, en klemt de kapitein en Woyzeck vast in een two-shot met het effect van de lus van een lasso. De soldaat begint zijn superieur schoorvoetend te antwoorden, met zinnen als: ‘Ik denk dat als wij [arme mensen] ooit in de hemel komen, we moeten helpen donderen.’

De Kapitein zit behalve visueel ook verbaal in het nauw: ‘Je brengt me in de war met dat antwoord.’ Het is duidelijk dat hij dondersgoed begrijpt wat zijn ondergeschikte bedoelt, maar hij wil het niet horen en dus veinst hij ergernis en onbegrip.

Dan, als Woyzeck ingerukt is (achter de kapitein zien we door het eerste venster hoe hij nog kalm loopt zoals zijn superieur het hem opdroeg, en door het tweede hoe hij zich niet kan bedwingen om toch te rennen: weg!) geeft de kapitein zichzelf toe: ‘Dit gesprek heeft me aangegrepen.’

Juist. Weten we meteen waar Herzog het over wil hebben. De gedachten zijn vrij. Daarom zijn ze een gevaar voor de status quo en zullen ze bestreden worden.

Zoals iedere goede dichter verwoordt Woyzeck in onvervreemdbaar persoonlijke beelden de essentie van het leven, en van de waarheid. Het zal hem opbreken. Met zijn pure poëzie beangstigt hij mannen die denken dat zij de baas zijn. Hun afweer bestaat uit vernedering en onderdrukking. En als ze merken dat ze met hun daden geen vat op hem krijgen, kwellen ze hem met insinuerende woorden. Raak. Ze verwonden Woyzecks geest zo dat hij zijn on-daad begaat: de moord op Marie, de enige die hem, zo niet lichamelijk, toch wel geestelijk trouw is. Ook zij is een Herzog-eenling. Iemand die haar eigen spoor volgt, waar haar dat ook brengt.

Woyzecks moord filmt Herzog als de beginscène: woordeloos en op vergelijkbare taaie boerendansmuziek, echter nu niet versneld maar in slow motion. Steek... steek... steek met je mes in het nauwelijks zichtbare vod in de bocht van je arm dat Marie heette en alles voor je was.

Woyzecks zweet lokt mugjes. Of is het Kinski’s zweet? Dat weten we niet meer. Ongeremd etaleert de een de vertwijfeling van de ander: hij wilde voor alles teder zijn en nu doet hij dit. Tranen wellen in de bleke ogen. De vreemde mond vormt het woord ‘dood’. Deze moord is een zelfmoord. De dichter heeft verloren.

Volgende maand ‘Persuasion’, naar de roman van Jane Austen.