‘We noemen de spin Henkie’

Agnes van Minnen sprak gisteren haar oratie uit als hoogleraar angstregulatie. „Therapeuten hebben meer lef nodig.”

„Mensen groeien soms op in omstandigheden waarvan ze zelf niet beseffen dat ze erg zijn” Foto Flip Franssen Nederland, Nijmegen, 3-6-2008 Agnes Minnen, houdt een oratie over angst-therapie Foto: Flip Franssen Franssen, Flip

Natuurlijk is ook Agnes van Minnen (43) weleens bang. Voor haar oratie bijvoorbeeld bij de aanvaarding van het bijzonder hoogleraarschap ‘Angstregulatie en de behandeling van angststoornissen’ aan de Nijmeegse universiteit. „Vreemd eigenlijk”, zegt ze tijdens het gesprek dat kort daarvoor plaatsvindt. „Ik geef veel lezingen, maar dit is toch anders. De verwachtingen zijn hooggespannen.” Ook over paniek kan ze uit eigen ervaring praten: „In mijn studententijd bezochten we de start van de Elfstedentocht. Het was zo druk dat ik heel bang werd onder de voet gelopen te worden. Ik kon alleen nog maar denken: weg, weg, weg!”

Angst is een „nuttige emotie”, zegt Van Minnen. Het is de lichamelijke reactie op een gevaar. Lastig wordt het als het gevaar is geweken, maar de angst niet verdwijnt, of dat je bang bent voor iets dat niet reëel is. Als die angst je functioneren belemmert, is er sprake van een ‘angststoornis’. Naar schatting lijden 1,7 miljoen Nederlanders daar aan, zegt Van Minnen, ongeveer net zo veel als in andere westerse landen. Die angsten variëren van de meest voorkomende ‘enkelvoudige’ stoornissen – zoals vliegangst – tot mensen die ernstig zijn getraumatiseerd door bijvoorbeeld oorlog of incest. De nieuwe hoogleraar geeft leiding aan de angstpoli van de GGZ in Nijmegen, waar de afgelopen jaren steeds meer patiënten van hun angsten werden afgeholpen door middel van exposure: beetje bij beetje wordt de patiënt blootgesteld aan datgene waar hij bang voor is.

„Angststoornissen zijn een groot probleem. Na hart- en vaatziekten staat het bovenaan de lijst van aandoeningen waar mensen het meest onder gebukt gaan. Iemand die bang is voor spinnen, scant voortdurend de ruimte op spinnen. Een vlekje op de muur is mogelijk al een spin. Dat belemmert het functioneren van mensen enorm, want ze richten hun aandacht verkeerd. Mensen die bang zijn, vertonen bovendien de neiging om hetgeen ze bang voor zijn te vermijden. Je hebt natuurlijk personen die juist op zoek gaan naar gevaar en gaan bungeejumpen, maar de meeste mensen gaan hun angsten uit de weg. Dat kan ernstige vormen aannemen. Mensen met sociale angsten bijvoorbeeld: ze gaan niet meer naar hun werk, ze komen niet meer op straat, ze vereenzamen.”

Waarom zijn zo veel mensen bang voor spinnen?

„Mensen zijn bang voor dingen die ze niet goed kunnen controleren. Spinnen zijn snel, ongrijpbaar. Angst voor fladderende dieren komt ook veel voor. Een evolutionaire verklaring zou kunnen zijn dat spinnen vroeger gevaarlijk waren voor mensen.”

Waar komen angststoornissen vandaan?

„Erfelijkheid kan een rol spelen. Of stress: vaak ontstaan angsten na een ingrijpende gebeurtenis. Ook de omgeving is van belang: wie erg beschermd wordt opgevoed, maakt een grotere kans op een angststoornis. Het gaat om een combinatie van die factoren.”

Komt het meer voor dan vroeger? Zijn mensen banger geworden?

„Dat is moeilijk te zeggen. In de loop der jaren zijn de criteria voor angststoornissen steeds veranderd. We hebben er dus geen betrouwbare cijfers over.”

U bent een pleitbezorger voor therapie met exposure, waarmee u in de angstpoli ook werkt. Waarom?

„Het blijkt heel effectief. Enkelvoudige fobieën kun je in een middag genezen, ingewikkeldere angsten in acht weken. In de therapie gaan mensen de confrontatie aan met datgene waar ze bang voor zijn. Alleen dan kun je leren de angst te relativeren. Bij iemand die bang is voor spinnen doen we een heel klein spinnetje in een afgesloten potje en noemen hem Henkie of Hannibal. Daar mag de patiënt dan op een afstand naar kijken. We laten hem stapsgewijs steeds verder gaan: het potje gaat open, het spinnetje loopt op tafel, op de hand, en er blijkt niets ergs te gebeuren. En zo gaan we verder met een iets grotere spin. Alles moet in kleine stappen en de mensen moeten het zelf doen. Iemand die bang is voor water in het water duwen helpt niet, dat werkt averechts.”

Voor ernstige trauma’s moet dat een stuk ingewikkelder zijn. Een oorlogsslachtoffer kan niet terug naar het oorlogsgebied.

„Nee, maar het principe is hetzelfde. Mensen die na een trauma een angststoornis ontwikkelen, vertonen ook vermijdingsgedrag. Ze zappen weg als ze op tv iets zien wat met hun angst te maken heeft. Ze zijn bang voor hun eigen herinnering. We nemen ze voorzichtig mee terug naar hun herinnering, in fantasie natuurlijk. Ook dat gaat stapsgewijs. Niet meteen alles herbeleven. Maar beginnen met de ochtend voor het auto-ongeluk. Een week later vraag je hun het ongeluk zelf snel na te vertellen. Geleidelijk ga je naar de kern. Dan vertelt de patiënt waar hij bang voor is: de blik in de ogen van de verkrachter, de zucht van de geliefde die dood ging, de sirene van de ambulance. Vaak zijn het ook niet de momenten waar een buitenstaander meteen aan denkt, zoals het pistool tegen je hoofd tijdens de overval. Maar dingen die eraan vooraf gaan, zoals het geklingel van de ijscoman dat je hoorde vlak voor de overval. Als je dat melodietje weer hoort, betekent dat: gevaar.”

En het werkt?

„Ja, we helpen mensen van de stoornis af. Het blijft natuurlijk een zwakke plek, een litteken, maar de angstklachten verdwijnen.”

Hoe komt het dan dat nog veel te weinig psychotherapeuten gebruik maken van exposure, zoals u zegt in uw oratie?

„Veel therapeuten vinden het niet leuk om te doen. Exposure vergt een actieve houding. We werken hier ook met vaste protocollen. Therapeuten die hier nieuw komen, zeggen ook vaak: ‘jeetje, het is wel hard werken met die protocollen’. Therapeuten vinden het vaak prettiger om achterover te leunen en te vragen: hoe is het gegaan deze week?

Is dat nog de invloed van Freud?

„Dat kun je niet zo zeggen. Gedragstherapeuten hebben weinig op met Freud, maar doen het ook. Het is eerder hulpverleners-eigen. Ze praten liever. Na een drukke dag is het ook makkelijker om met een bakje koffie te kleppen over de moeilijkheden van het leven. De patiënt vindt dat ook prima, want die kan zijn verhaal kwijt. Maar zijn klachten verminderen niet.”

Dan zijn die therapeuten toch beunhazen?

„Dat zijn uw woorden. Therapeuten zijn ook mensen. Ze zijn zelf bang voor de angsten van hun patiënten. Ze zijn bang dat ze bij het ophalen van traumatische herinneringen een beerput opentrekken, dat het erger wordt. In het dagelijks leven hoor je dat mensen ook vaak zeggen: ‘laat het los’, ‘laat het rusten’, maar bij een posttraumatische stress stoornis werkt dat niet. Ik begrijp de terughoudendheid bij therapeuten ook wel. Het is een grote verantwoordelijkheid. De therapeut denkt: gaat het wel goed de komende week als ik er niet bij ben? Maar er zijn geen aanwijzingen dat mensen als gevolg van exposure verslechteren of rare dingen gaan doen. Er zijn wel bewijzen dat de therapie werkt.

Een therapeut moet zichzelf overwinnen. Het is ook niet de leukste therapie om te doen. Het is toch een beetje de tandarts die een patiënt hoort gillen, maar toch nog even doorgaat met boren. Het is niet prettig om aan een verkrachte vrouw te vragen: ‘vertel nog eens een keer hoe het voelde toen zijn penis bij u naar binnenging’. Toch is het belangrijk dat te vragen.”

Er is lef nodig.

„Ja. En je moet doorzetten. Overigens zijn er ook therapeuten die het graag doen. Het schept een sterke band met de patiënt. Trouwens, veel patiënten willen zelf ook graag hun traumatische verleden verwerken en hun angst aangaan, maar krijgen deze behandeling niet.”

Zou u de incestkinderen uit de Oostenrijkse kelder van Fritzl kunnen behandelen?

„Ik zou dat best aandurven. Overigens weten we nog weinig van die zaak. Mensen groeien soms op in omstandigheden waarvan ze zelf niet beseffen dat ze erg zijn. Ook is het zo dat het bij een grote groep na een ingrijpende ervaring vanzelf goed komt. ‘Slechts’ 10 procent ontwikkelt een stoornis. Eigenlijk is dat ongelooflijk. Als je vluchtelingen spreekt: die zijn hun baan kwijt, hun huis, ze weten niet waar hun kinderen zijn, onderweg zijn ze tien keer verkracht, gemarteld. Je snapt niet dat ze hier nog kunnen zitten. Maar mensen zijn ontzettend sterk. Ze kunnen heel veel hebben.”