Vlaamse gravers voor de rechter

Amateurarcheologen staan in België voor de rechter voor illegale opgravingen. Maar is dat terecht? „Ze doen goed werk.”

Op het eerste gezicht gaat het om een eenvoudige zaak. Maandag staat voor de rechtbank van het West-Vlaamse Ieper een voorzitter van een groepje amateurarcheologen terecht omdat ze zonder vergunning opgraven. Maar op de achtergrond spelen lastige vragen: zijn resten uit de Eerste Wereldoorlog cultureel erfgoed dat beschermd moet worden? Geldt dat ook voor de nog aanwezige munitie in de grond? Wordt er genoeg archeologisch onderzoek naar de slagvelden uit de Grote Oorlog gedaan? Waarom worden rond Ieper nieuwe industrieterreinen gepland, terwijl ze ook bezig zijn om de slagvelden ter plekke vóór de herdenkingen in 2014 tot Werelderfgoed te verklaren? En is het niet levensgevaarlijk dat aan bouwers en bedrijven de grond mag worden verkocht, inclusief onontplofte munitie omdat de munitie niet onder bodemverontreiniging valt?

Iedere zaterdag is bij het huidige industrieterrein ten noorden van Ieper een groepje mannen met schoppen en metaaldetectors bezig. Ze noemen zich De Diggers en sporen al ruim twintig jaar restanten uit de Eerste Wereldoorlog op.

Lang konden ze vrijwel ongestoord hun gang gaan. De gevestigde wetenschap interesseerde zich niet voor de loopgraven, wapens, munitie en stoffelijke resten in de grond – die interesse kwam pas in 2005, toen de mogelijke aanleg van een nieuwe ringweg door de oude frontlinies voor veel beroering zorgde.

Intussen waren de gemeente Ieper, die de laatste jaren veel oorlogstoeristen trekt, en het In Flanders Fields Museum wel blij met De Diggers. Dankzij hen zijn de stoffelijke resten van 215 onbekende soldaten gevonden en op een militaire begraafplaats begraven en is onder andere een loopgravenstelsel met een ondergronds bunkercomplex ontdekt. De gemeente gaf hun daarom een vergunning om te graven en het museum nam hun vondsten in de tentoonstelling op.

De Diggers zijn niet de enige amateurs die de velden in de Westhoek afspeuren. Tussen de verschillende amateurs en groepen bestaat veel onenigheid. Het is dan ook zo’n groep, de Association for Battlefield Archaeology and Conservation (ABAC), die dit jaar een klacht tegen De Diggers heeft ingediend. Na een reorganisatie van de Vlaamse erfgoedsector in 2003 moet voor alle opgravingen, ook van materiaal uit de Eerste Wereldoorlog, bij de Vlaamse overheid een vergunning worden aangevraagd. De ABAC doet dat keurig, maar De Diggers doen dat niet. „Ik heb nooit schriftelijk bericht gekregen dat de vergunning van de gemeente is vervallen”, zegt Patrick Van Wanzeele, voorzitter van de Diggers (tegenwoordig een stichting). Maar hij geeft toe: „Mondeling heeft de schepen, de wethouder, gezegd dat de vergunning niet meer geldt.”

Een nieuwe officiële vergunning aanvragen kost per opgraving een maand. Daarop kan hij niet wachten, zegt Van Wanzeele, omdat de bouw van bedrijven op de voormalige slagvelden gewoon doorgaat. „Arbeiders en machinebedieners weten niet welk gevaar ze lopen. Onlangs nog hebben we daarom ingegrepen zonder de eigenaar van de grond te verwittigen. Een firma die de situatie niet kent, wilde met zware machines grondstabilisatie uitvoeren. Wij hebben uit de bovenlaag van die grond zeventien springtuigen gehaald.”

Op discussiefora over de Eerste Wereldoorlog wordt gezegd dat De Diggers worden aangepakt omdat de Vlaamse overheid munitie nu ook tot het erfgoed rekent. „Dat klopt niet”, zegt archeoloog Marc Dewilde van het Vlaams Instituut voor Onroerend Erfgoed. „Munitie is geen erfgoed. De zaak gaat om de opgravingsvergunning. Om te vissen heb je ook een vergunning nodig. Het opgraven moet volgens de regelen der kunst verlopen. De Diggers volstaan vaak met alleen foto’s op een website plaatsen. Een plan, bescherming en een verslag ontbreken. Bouwheren schakelen hen in, omdat zij een terrein gratis bomvrij maken. Maar uit onderzoek is gebleken dat de munitie in de grond steeds instabieler en gevaarlijker worden. Mosterdgasgranaten beginnen bijvoorbeeld te lekken.”

Toch blijft Van Wanzeele doorgaan, zegt hij. Hij wordt daarin gesteund door Piet Chielens, coördinator van het In Flanders Fields Museum. Die zegt beslist: „Van Wanzeele is integer en een zoeker en vinder met een niet geëvenaarde ervaring en kennis.”

Betrokken ambtenaren geven toe dat Van Wanzeele en zijn Diggers, ook al doen ze niet alles volgens de regels, over veel kennis en ervaring beschikken en goed werk verrichten. Ze zitten daarom een beetje met de zaak in hun maag. „De klacht is bij de minister terechtgekomen en toen is een heel proces in werking gezet.” Wie weet valt door de zaak iets te doen aan de geplande aanleg van dertig hectare industrieterrein op de plek van de vroegere frontlinies. En ze zien ook graag een oplossing voor het munitieprobleem voordat een Digger of arbeider de lucht invliegt.

De gouverneur van West-Vlaanderen heeft inmiddels de betrokken overheden ingelicht.