Van aardappelakker tot nieuwbouw eiland

Fotograaf Theo Baart verhuisde naar een nieuwe vinexwijk in Hoofddorp. In zijn vandaag verschijnende boek Eiland 7 beschrijft hij, in woord en beeld, de ontstaansgeschiedenis van een typische Nederlandse nieuwbouwwijk.

De woning van Theo Baart, met extra opbouw Baart, Theo

Ikwoon op een eiland. Op Eiland 7. Ons eiland, ook wel Texel genaamd, ligt tussen Vlieland en Voorne-Putten. Eiland 7, is met het vasteland verbonden door een brug. Op dit eiland van tweehonderd meter breed en vierhonderd meter lang, staan driehonderd huizen, grotendeels van hout.

Op Vlieland, Eiland 8, hebben de huizen een huid van grijze en roestbruine leitjes. Voorne-Putten heeft een bedaagde architectuur met deugdelijke ‘tweekappers’, twee woningen onder één dak. En tussen die huizen door kan ik de kantelen zien van de kastelen die gebouwd zijn op Goeree-Overflakkee, Eiland 5.

Eilanden in de polder, in Hoofddorp Haarlemmermeer. In totaal 120 hectare nieuwbouw op twaalf kavels die gescheiden worden door brede sloten. Sloten die in het midden slechts een meter diep zijn. Dat merkte de buurman toen hij in de eerste warme zomer een verkoelende sprong in het water wilde maken en op bouwafval terechtkwam. Zo woon je midden in de polder toch aan het water. Op voormalige akkers, waar een paar jaar geleden nog aardappelen groeiden.

Ik woonde daarvoor in de Bijlmermeer, Amsterdam Zuidoost. De laatste anderhalf jaar had ik mijn intrek genomen in een grote flat die voor veel geld was opgeknapt. Op de begane grond waren atelierwoningen gebouwd. Kunstenaars moesten deze achterstandswijk een impuls geven. Prachtig. Maar de combinatie van de zorg voor twee opgroeiende zonen, bovenburen die hun huisvuil over hun balkon op ons terras kieperden, de continue geluidsoverlast en de vechtpartijen voor de deur, werd mij uiteindelijk iets te veel. Ik zocht veiligheid, rust, en enige afstand tot mijn medebewoners. Maar ook ruimte, want ons driemanshuishouden zou worden uitgebreid met mijn nieuwe verkering en haar twee dochters. We werden een zespersoonshuishouden, twee volwassenen, waarvan één thuis werkt, en vier pubers met behoefte aan privacy.

Waar vind je de ruimte waarin zo’n constellatie kan wonen en werken? In de Nederlandse nieuwbouwwijk. In zo’n wijk buiten de stad, met zijn ‘tweekappers’, ‘half vrijstaande herenwoningen’ en ‘grondgebonden woningen’. De veilige haven voor de middenklasse.

Niet alleen praktische overwegingen speelden mee in onze beslissing om juist hier op Eiland 7 iets te kopen. Dit was een afwijkend ontwerp, van architect Bjarne Mastenbroek, geplaatst in een eigenzinnig verkaveling. Als het dan toch een nieuwbouwwijk moest worden dan was dit aantrekkelijk, dachten we.

Eiland 7 maakt deel uit van de wijk Floriande, in Hoofddorp. Hoofddorp ken ik. Na 28 jaar Amsterdam woon ik weer in het dorp waar ik ben opgegroeid. Het dorp draagt nog steeds dezelfde naam, maar verder is alles er veranderd. Ik woon nu hemelsbreed vijf kilometer van mijn ouderlijk huis. Daartussen ligt een zee van huizen, een waaier van nieuwbouwwijken uit verschillende decennia. Hoofddorp is het openluchtmuseum van de Nederlandse naoorlogse woonwijk.

Nu ik terug ben merk ik de voordelen van het leven in een nieuwbouwwijk: de mega-parkeergarage onder de mega-supermarkt, het lopen in het recreatiegebied dat naast onze wijk is aangelegd en het snelle openbaar vervoer naar het centrum van Amsterdam. Het is misschien een plek zonder identiteit, het is in ieder geval een plek met comfort, zo bleek al snel.

Ik heb als fotograaf vele nieuwbouwwijken gezien en gefotografeerd. Meestal als passant. Nu ben ik ‘medeschuldig’, ik doe mee want ik ben koper van een huis dat een onderdeel vormt van het transformatieproces dat Nederland doormaakt. De verandering van het Westen van Nederland in één grote nieuwbouwwijk, gelardeerd met infrastructuur, winkelcentra, golfbanen en recreatiegebieden. Ik ben consument van dit gebruikslandschap.

De eerste tien dagen na de verhuizing ben ik overweldigd door de rust. Voor het eerst in anderhalf jaar kan ik ongestoord doorslapen. Ik beleef een kinderlijk genoegen aan het niet op slot doen van mijn auto. Zullen we een touwtje door de brievenbus doen, fantaseer ik overmoedig, zodat je van buiten de voordeur zonder sleutel open kan doen?

De eerste tijd is er ook het avontuurlijke gevoel van pionier te zijn. Even besta je niet: het navigatiesysteem kan je nieuwe adres niet vinden. Telefonisch loods je iedereen die voor het eerst op bezoek komt naar je huis: ‘Let op de bussluis, je moet dan terug.’ Een vriend mist het waarschuwingsbord, de bussluis mist zijn carter niet. Nog steeds meen ik zijn oliespoor te zien in onze straat.

Horizon

Het is november 2007. We wonen nu drie jaar op Eiland 7. Ik kijk vanuit mijn werkruimte naar buiten en zie tot aan de horizon huizen. Hoe ziet het eiland er nu uit? Smalle straatjes, kleine tuinen, parkeerplaatsen: het ruimtebeslag is enorm. In het midden van het eiland ligt de brink. Een brink is traditioneel een gemeenschappelijke weide omringd door boerderijen en woningen. Op deze brink is een basketbalveld, twee plekken met speeltoestellen voor de kleintjes, en driehonderd bomen.

Dit is een gebied met twee snelheden. Overdag is het hier rustig. Er moet per woning door twee mensen gewerkt worden om de hypotheek te kunnen betalen. Tussen half zeven en acht uur ’s ochtends zie je een stroom auto’s over de bruggen rijden die de eilanden ontsluiten. Even later in de ochtend is het levendig op de gigantische parkeerplaatsen bij de scholen: dubbel parkeren en opstoppingen. Daarna gaat ook de tweede auto de wijk uit, op weg naar het werk. Dan is het stil, doodstil.

De afgelopen tijd hebben de bewoners van dit eiland niet stilgezeten. De woningen zijn ingericht, de tuinen zijn al lang klaar. Er is een onvoorstelbare variëteit aan skihutten, blokhutten en hoge schuren in de tuinen en op de parkeerplaatsen gebouwd. Veel van de door de projectontwikkelaar geplaatste hekken en planten zijn de eerste maanden vervangen door houten schuttingen. Sommige parkeerplaatsen die door bewoners zelf ingericht moeten worden, zien eruit alsof er een dijkdoorbraak is geweest. Ze liggen vol met resten van schuttingen en bergen zand. Op een parkeerplaats ligt, als een aangespoelde walvis, een gigantische opblaasbare rubberboot.

Dit beeld strookt niet met het destijds in de verkoopbrochures geschetste beeld van een woningomgeving waar de auto uit het straatbeeld zou worden gehaald. Opbouwen, uitbouwen, opslagplaatsen neerzetten, alles kan, alles mag. Is dit de bedoeling geweest, vraag je je af. Bezorgde bewoners, teleurgesteld door wat zij als de verloedering van het eiland zien, schrijven brieven naar de gemeente.

Ik wil begrijpen waarom wij zo bouwen en wonen in Nederland. Hoe ontstaan dit soort populaire woongebieden, vraag ik me af. Wat gebeurt er precies als iemand in een kantoor een rode stip plaatst op een plek waar een agrarische bestemming op rust? Wie worden dan onrustig? Wie zijn de spelers en wie betaalt aan het eind van het proces de rekening? Waar betaal je als huizenkoper allemaal voor en wat krijg je er voor terug? Hoe komt het dat al die nieuwbouw in grote lijnen op elkaar lijkt?

Grondposities

Het grote vinexspel begint met grond. Wie grond in Nederland heeft mag zelf bouwen, tenminste als de grond een woonbestemming heeft. Je moet als projectontwikkelaar ‘grondposities’ hebben want als je geen grond hebt, is het lastig bouwen. In Nederland is de projectontwikkelaar de opdrachtgever. De aannemer bouwt.

In 1993 publiceerde de minister van Ruimtelijke Ordening de Vierde Nota ruimtelijke ordening Extra (al gauw de Vinex-nota geheten). Deze nota wees de gebieden aan waar tot 2005 250.000 woningen gebouwd moesten worden. Voor de gemeente Haarlemmermeer betekende dat 13.000 stuks op drie locaties. De grootste aangewezen bouwlocatie lag in een rechthoek van drie kilometer bij een kilometer (300 hectare) ten westen van Hoofddorp, langs de Spieringweg.

Al lang voor het verschijnen van de Vinex-nota reden grondopkopers bij menig boer het erf op om een bod te doen op hun land. Iedereen zag aankomen dat in de Haarlemmermeerpolder gebouwd zou worden: dicht bij de grote steden Amsterdam, Haarlem en Leiden en naast Schiphol. Nu was alleen nog het wachten op de verandering van de bestemming van het land. En wie kan de agrarische bestemming van een stuk land veranderen? Dat is de gemeente, met haar bestemmingsplan, al dan niet gedwongen door een hogere overheid. Bouwen in Nederland is een interessante pas de deux van overheid en marktpartijen.

De Haarlemmermeerpolder heeft de vorm van een aardappel. Na de drooglegging in 1850 was de polder opgedeeld in blokken van drie bij twee kilometer. Vijftien kavels van tweehonderd meter breed en duizend meter lang lagen langs een boerderijweg. Op de korte zijde van tweehonderd meter stond steeds een boerderij. Alles moest nuttig zijn in deze polder. Hier en daar werd een boom langs de weg geplaatst. Het leverde een wat bonkig landschap op, misschien zelfs wel mooi, daar zijn de meningen verdeeld over gebleven. Ik vond het altijd prachtig, totdat de polder in hoog tempo volliep met kantoren, snelwegen, woonwijken en het alsmaar uitdijende Schiphol. Toen werd het landschap in mijn ogen fascinerend.

In de jaren zeventig had de gemeente Haarlemmermeer een visionair als burgemeester. Hij wilde bij nieuwbouwprojecten niet overgeleverd zijn aan de projectontwikkelaars en grondspeculanten. De gemeente ging zelf aan de slag om grond te verwerven. Grond kopen is een spel: het is zaak dat je er zo snel mogelijk bij bent en dat niet iedereen weet wat je aan het doen bent. Voor een gemeente is dat niet eenvoudig. Meedoen met dit spel is moeilijk te verenigen met het afleggen van de publieke verantwoording waartoe de overheid verplicht is.

Vanaf 1970 kocht gemeenteambtenaar Geert Deddens grond in voor de gemeente Haarlemmermeer. Agrarische grond. Inmiddels is hij al weer een tijdje met pensioen. Op afdeling 4 van de gemeente ‘deed’ hij de grondzaken. Later werd ‘grond’ zoiets groots dat een gemeentelijk grondbedrijf werd opgericht. Eind jaren negentig werkten daar al twintig mensen.

Toen Deddens begon met zijn aankopen was de grond niet duur, want hij kocht voor ‘agrarische prijzen’: de waarde die akkerland heeft voor boeren. Ook de financieringskosten vielen mee. Twintig hectare land bracht 250.000 euro op, 1,25 euro de vierkante meter. Het land werd na de koop bewerkt door een boer die in dienst was van de gemeente en de opbrengst van het land was dan gemiddeld de helft van de rentelast. ‘Weigeren om te verkopen kwam weinig voor’, vertelt Deddens. ‘Boeren zijn blij als je langskomt om ze uit te kopen. Verkoop is het enige moment dat je een goede opbrengst hebt van je bedrijf.’

Begin jaren negentig werd het dringen op de grondmarkt. De luchthaven Schiphol kocht veel grond. Het toenmalige ministerie van Landbouw, Natuur en Visserij kocht land voor ‘groen’. En projectontwikkelaars wilden graag een positie innemen voor de onvermijdelijke bouwprojecten. ‘We hebben jarenlang met opzet geschermd met verschillende plannen’, vertelt de voormalige gemeentelijke grondopkoper.

Er werd bewust een rookgordijn opgetrokken. De gemeente wilde zo veel mogelijk grond kopen, en wist al die tijd precies waar ze uiteindelijk zou gaan uitbreiden. Het ging niet meer om de prijs, want die was in 1993 al gestegen naar 12 à 13,50 euro de vierkante meter, het tienvoudige van de prijs in de jaren zeventig. Het ging om de hoeveelheid, zegt Deddens. ‘We wisten natuurlijk wie de grondeigenaren waren, maar niet wie een optie had verleend op zijn land, of een contract had gesloten. Ook onze aankopen gingen meestal via verschillende stromannen. Het was een prachtig spel.’

De marktpartijen, vooral projectontwikkelaars die graag wilden gaan bouwen, probeerden bij de gemeente te achterhalen waar precies de uitbreidingen gepland waren. Zij kochten grond op de plek waar ze vermoedden dat de gemeente ging uitbreiden. De marktpartijen betaalden altijd méér dan de gemeente. Zij betaalden aan de boeren de verwachtingswaarde, de waarde die de grond krijgt als de gemeente de agrarische bestemming van het land verandert in een woonbestemming – dus tegen een veel hogere prijs.

Voordat bekend werd dat aan de Spieringweg een vinexlocatie zou komen, had de gemeente al twee boerenbedrijven in het beoogde plangebied gekocht. Met twee ander boerenbedrijf was de gemeente toen nog druk bezig. Als zij die ook verwierf, zou zij tweederde van de vinexlocatie bij Hoofddorp in handen hebben. De rest van de grond was gekocht door projectontwikkelaars. De gemeente had dus een sterke onderhandelingspositie in het overleg met de projectontwikkelaars. Door de grote hoeveelheid grond die de gemeente inbracht, kon ze flinke invloed hebben op het bouwprogramma.

Geld

Bij het grote vinexspel gaat het om de grond, en het gaat om het geld. Een gemeente krijgt opdracht om 13.000 woningen op drie vinexlocaties te bouwen in tien jaar tijd. Hoe rekent die gemeente? Hoe spelen ze het klaar? Bepaalt de methodiek van begroten de kwaliteit en het gezicht van de nieuwbouwwijken in Nederland? Ik bezoek op het gemeentehuis Hans Zuurbier, de financial controller van de drie vinexlocaties van de gemeente Haarlemmermeer.

Ik vraag Zuurbier hoe een begroting voor nieuwbouw, in dit geval drie vinexprojecten eruitziet. Op een notitieblok trekt de controller een verticale streep. Dit is taaie materie, ik zet me schrap.

Links komen de kosten. ‘Daartoe horen dus de grond die rechtstreeks gekocht is, en de grond die de gemeente heeft overgenomen van de projectontwikkelaars die zelf grond hadden verworven’, aldus Zuurbier. De gemeente is bij de start van de Vinex-projecten met de projectontwikkelaars een samenwerkingsverband aangegaan. De grond is door de gemeente van de projectontwikkelaars overgenomen voor de vaste prijs van 18 euro de vierkante meter. Een enkele keer lag die prijs boven de prijs waarvoor de projectontwikkelaars de grond hadden ingekocht, maar meestal daaronder. Dit was een moment van verlies nemen voor de meeste projectontwikkelaars, maar in ruil daarvoor kregen ze een bouwclaim, een harde toezegging dat ze mochten bouwen. Het verlies op de grond konden ze later verrekenen in de prijzen van hun duurdere huizen.

Tweede post zijn de zogeheten VTA- kosten: Voorbereiding, Toezicht en Administratie. Die kosten betreffen de stedenbouwkundige plannen, de projectmanagers die ingehuurd worden, de juridische procedures, de communicatiecampagnes, en ga zo maar door. Kortom, dat zijn de kosten voor het ambtelijk apparaat en de ingehuurde krachten. Zuurbier: ‘Bij het begroten hanteer je voor de post VTA een percentage van de investeringskosten. Als je het zo doet als wij, heb je 27 procent VTA-kosten.’

We zijn er nog niet, nog meer kosten: de investeringen zelf. De gemeente had nu alle grond in beheer en ging het ‘plangebied’ bouwrijp maken. Dat betekent rioleringen in de grond en het aanleggen van bouwwegen. Als de huizen er staan, wordt het gebied woonrijp gemaakt: de wegen en het groen worden aangelegd, lantaarnpalen geplaatst, kortom de openbare ruimte wordt ingericht.

Ook zijn er rentekosten. Het begint met het kopen van de grond. Ondanks de stijging van de grondprijzen vallen die rentekosten voor de gemeente mee. Ze heeft destijds de agrarische grond relatief goedkoop gekocht en jarenlang inkomsten gehad uit het agrarisch gebruik van het gekochte land. De rentekosten bestaan vooral uit allerlei uitgaven die voorgefinancierd worden, zoals de infrastructuur om de nieuwe wijken te ontsluiten.

Rechts van de streep komen de inkomsten. De gemeente heeft subsidies gekregen van het rijk – 75 miljoen euro – in een periode van tien jaar. Nadat de gemeente de grond bouwrijp heeft gemaakt, gaat de ontwikkelaar bouwen. De gemeente verkoopt de grond uiteindelijk rechtstreeks aan de kopers. Als vergoeding voor het gebruik van het land, berekent de gemeente de projectontwikkelaar een van te voren afgesproken rente.

De prijs voor de grond is destijds als volgt bepaald: de grondprijs is een percentage van de Vrij Op Naam (V.O.N.)-prijs van de woning. ‘Vrij op naam’ betekent dat alle kosten die met het verwerven van een woning gemoeid zijn, bij de koopsom inbegrepen zijn.

En dan wordt het ingewikkeld. Er worden verschillende percentages gebruikt voor de grondprijs: hoe hoger de verkoopprijs van het huis (precies gezegd: de ‘Vrij Op Naam-prijs’), hoe hoger het percentage dat leidt tot de grondprijs. Bij een duur huis betaalt de koper veel meer voor de grond per vierkante meter dan bij een goedkoop huis.

‘Als je de grond beschikbaar stelt aan de projectontwikkelaar dan heb je wel een indicatie van de verkoopprijs van de verschillende huizen maar er kan nog van alles gebeuren. Van belang voor de gemeente is om vast te stellen hoe die huizen er precies uit gaan zien’, legt financial controller Zuurbier uit, en vooral wat ze gaan kosten. Het zogenoemde ‘meerwerk’ zit niet in de verkoopprijs (V.O.N.) maar wordt apart in rekening gebracht. Over dat meerwerk wordt dan geen percentage van de grondopbrengst afgedragen aan de gemeente. Dat leidt tot discussies tussen de projectontwikkelaar en de gemeente. Zuurbier: ‘Als badkamers, bergingen en keukens als meerwerk worden aangeboden, komen wij tekort.’

Zuurbier constateert dat er een natuurlijke spanning is tussen gemeentes en projectontwikkelaars. ‘Gechargeerd gezegd willen gemeenten kwaliteit, goede woningen in goede wijken, en projectontwikkelaars willen winst.’

Maar niet alleen de projectontwikkelaars hebben geld verdiend aan de uitvoering van de vinexprojecten. Ook de gemeente Haarlemmermeer heeft het financieel redelijk gedaan. De gemeente heeft de drie vinexlocaties met 13.000 huizen aangelegd voor circa 600 miljoen euro, de grootschalige infrastructuur voor 200 miljoen euro. Bij de eerste grove begroting dreigde de gemeente nog geld te kort te komen. Maar aan het eind van de rit is er geld over. De gemeente heeft bij dit project omgerekend per woning 3.000 euro overgehouden.

Bouwen in het open gebied is relatief goedkoop. Het verklaart voor een deel de aantrekkingskracht van de open gebieden rondom de steden voor projectontwikkelaars. En het kan een inkomstenbron voor de gemeenten zijn. Zo heeft de gemeenteraad van de Haarlemmermeer besloten om een gedeelte van de grondopbrengst te reserveren voor een groot sportcomplex dat ruim 45 miljoen euro gaat kosten.

Het is zaterdag 22 december 2007. Het is al een paar dagen koud. En vanochtend vroeg word ik door mijn vriendin het bed uitgeroepen. ‘Je moet fotograferen, alles is wit, de zon schijnt en straks is dat allemaal weg.’ Ik schiet in mijn kleren en ren de straat op. Een buurman bonkt tegen het raam. ‘Kan je even mijn tuin fotograferen? Het ziet er zo prachtig uit.’ Verder is het doodstil op het eiland. De gebruikelijke stilte.

Het is een bijzondere ervaring om lopend over het bevroren water de huizen te bekijken. Het maaiveld is nu op ooghoogte. De huizen doemen als enorme houten gevaartes op. De steigers, waar je nooit iemand op ziet, bewijzen nu hun nut: de plek om je schaatsen aan te doen en het ijs op te gaan. Op een steiger staat een pot met warme chocolade en een grote fles rum. Als ik daar kom is de chocola op. Voor rum vind ik het nog iets te vroeg.

Ik zie nu van dichtbij mijn overburen. We zeggen elkaar gedag, voor het eerst sinds we hier wonen. Ik maak kennis met een buurman een paar huizen verderop, die het laatste houtskeletbouwhuis heeft gekocht. Het huis stond na de oplevering een jaar lang te koop. Hij woonde in Noord-Brabant en toen zijn werkgever het handiger vond dat hij naar het Westen van Nederland verhuisde, is hij op internet naar huizen gaan zoeken. Hij vond dit huis op Eiland 7. De projectontwikkelaar zou er wel eens graag vanaf willen, dacht hij, en hij is gaan bieden. Nu woont hij hier plezierig en hij roemt de akoestiek van het huis: zijn piano klinkt erg mooi.

Hans Piek komt erbij staan, een eilandbewoner van een paar straten verderop. Hij woonde in Park Haagse Weg in Amsterdam. Een mooi huis, maar naarmate je kinderen groter worden, wordt je huis kleiner, ondervond Piek. Hij is internetondernemer, en het maakt hem niet zoveel uit waar hij woont: ‘Alles is virtueel, ik hoef alleen maar in te loggen.’

Piek is tevreden, hij heeft gekregen wat hij had verwacht: ruimte om zich heen en een huis met volume, value for money. En het is hier rustig. ‘We gingen vroeger kamperen maar sinds we dit huis hebben ga ik liever in mijn tuin zitten.’

Klachtenloket

De projectontwikkelaar had bij het begin van de verkoop van de huizen op Eiland 7 een website gelanceerd met een ‘community’ voor de kopers. Op het forum op de site konden kopers van gedachten wisselen – het werd een klachtenloket, bleek al snel.

De klachten over gebrekkige informatie en de gevoelens van machteloosheid bij sommige kopers namen toe toen de eerste huizen werden opgeleverd. ‘Als wij nu een huis zochten, zouden we het hier nooit kopen. Niet omdat het huis niet bevalt maar omdat de omgeving zo armoedig is geworden.’

Er zijn nogal wat mensen die serres en carports aan hun huizen wilden, zo bleek op het forum. De verkoopadviseur van de projectontwikkelaar stelde op het forum dat de projectontwikkelaar dat niet aanbiedt, omdat het niet past bij het ontwerp. Toen tijdens de bouw bleek dat bij een huis (ons huis) een opbouw werd geplaatst, was er sprake van verbazing op het forum. Hoe kon dit gebeuren? Zeven kopers maakten bekend dat ze dit ook wel wilden. De latere wildgroei aan uitbouwen en skihutten kondigde zich toen al enigszins aan – maar hij werd niet opgemerkt.

Tijdens de bouw van de ‘tweekappers’ aan de zuidkant van Eiland 7, richtten de kopers een vereniging op. Van de 34 kopers werd bijna iedereen lid. Vlak voor de oplevering van de huizen verzorgde de inkoopcommissie een avond over het inrichten van de tuinen. Twee hoveniers werden uitgenodigd en gevraagd om ieder twee schetsontwerpen te tonen plus de bijbehorende begroting. Eén hovenier kwam niet opdagen. De overgebleven hovenier had twee voorstellen in de aanbieding: een moderne stijlvolle tuin en een wat eenvoudiger tuin. De ‘standaardtuin’ kostte kant en klaar 24.000 euro. Voor acht duizend euro meer kreeg je een meer aangeklede variant. Dertig kopers meldden zich bij de hovenier met een bestelling voor een van de twee varianten.

Toen ons huis werd opgeleverd, op 15 september 2004 om 15.00 uur, was het in ons straatje een drukte van belang. De huizen van onze nieuwe buren waren de uren daarvoor opgeleverd. Tot onze verbazing werd er al druk gewerkt.

We stelden ons voor aan onze buren die bezig waren de radiatoren uit hun huis te verwijderen. Het gesprek kwam meteen op de erfafscheiding tussen onze huizen. ‘Liever geen Gammaschutting’, zeiden wij. ‘Wat is er mis met een Gammaschutting? Ik werk bij de Gamma’, pareerde de nieuwe buurman onze esthetische opvattingen. Maar gelukkig was hij het helemaal met ons eens.

Na de oplevering van ons huis krijgen wij de sleutel nog niet. Onze tweede hypotheek is nog niet rond. Als dat wel het geval is, een paar weken later, beginnen we aan de inrichting. Alle buren wonen er al. De buren aan de westkant hebben zelfs de tuin al ingericht. Wat gaan wij met onze tuin doen? Het lijkt een pas geploegde akker, alsof er nog steeds aardappelen worden verbouwd. Wij doen niets, wij zijn niet zo snel. In het voorjaar hebben we nog geen idee wat we aanmoeten met de inmiddels op eigen kracht begroeide akker. Ik schep de boel om.

Op aanraden van een landschapsarchitect bestellen we voor 36 euro een mengsel van bloemrijk graszaad. Dat geeft die zomer onze tuin het aanzien van een fleurige berm. Een jaar later weten we nog niet wat we met onze akker gaan doen. Moeten we, net als de buurman op de hoek, een thema kiezen? ‘Wij hebben twee terrassen gescheiden door de schuur – één met een Spaanse sfeer, een ander met een Franse sfeer. Want we vinden Frankrijk een sympathiek land, en Spanje ook.’

Mijn vriendin maakt een plan: een deel plantentuin, een ander deel terras. Een stratenmaker, die de ene helft van het jaar vinexwijken van sierbestrating voorziet en de andere helft van het jaar op de Filippijnen uitrust, komt met zijn team, bestaand uit twee gevluchte Armeniërs en een voormalige journalist uit Tsjetsjenië. Zij voeren het ontwerp uit. De overburen op Eiland 8 zijn blij: er had nogal wat bloemrijk graszaad wortel geschoten tussen hun terrastegels.

De dochters van mijn vriendin woonden al in Hoofddorp. Ze gaan hier ook op school. Zij zijn ingeburgerd en ook het idee dat je op een eiland woont is er. ‘Ik fiets wel even naar je eiland’, hoorde ik de oudste door de telefoon tegen een vriendin zeggen die in de buurt woont.

‘Een buurman heeft een Hummer’, was de opmerkelijke observatie van mijn oudste zoon, die de helft van de tijd in de Bijlmermeer woont, en die vanaf dag één besloten had dat Hoofddorp niets opmerkelijks te bieden had. Een paar dagen later stond er weer een andere nieuwe auto op de ‘parkeerplaats op eigen terrein’. Dat bleef ook niet onopgemerkt. De auto’s werden steeds afgewisseld met een wat oudere Mercedes. Bij de eerste straatbarbecue bleek de buurman autojournalist te zijn.

De eerste twee zomers waren er midden in ons straatje erg vrolijke barbecues. Het was niet eenvoudig geweest om een datum te vinden waarop iedereen kon. Maar toen het doorging was het ook feest: tot diep in de nacht werd er gegeten en werden er verhalen verteld. En iedereen wilde nou wel eens een keer vanaf ons terras over de wijk heen kijken. De gesprekken gingen over de ervaringen die we met elkaar delen: het kopen van een huis.

En er werd ook gesproken over werk. De straat wordt bewoond door een directiesecretaresse, een hoofd financiën bij een onderneming, een assistent bedrijfsleider bij een doe-het-zelfwinkel, een accountmanager, een hypotheekadviseur bij een verzekeringsmaatschappij en een beleggingsadviseur bij een grote bank. Geen ambtenaren in de straat. En er waren ontboezemingen. Een van onze buurvrouwen kondigde aan dat ze een boek ging schrijven over hoe het is om getrouwd te zijn met een Nederlander van Marokkaanse afkomst. De titel had ze al: Mijn man is een terrorist.

Dit soort mooie ontmoetingen gebeurt alleen in de zomer. De rest van het jaar speelt het leven zich binnen af en zie je niemand. Behalve dan wanneer de winter weer eens ouderwets toeslaat: ijs op de sloot. Dan zie je iedereen.

Eiland 7 is half dorp. De postbode doet, als ik er niet ben, op eigen initiatief de pakketjes in een mand die eigenlijk buiten was gezet om weggegooid te worden. De ‘sinaasappelman’ hangt om de twee weken een netje met perssinaasappelen aan de kruk van de voordeur. En die blijven daar hangen totdat we ze zelf weghalen.

Eiland 7 is ook half stad. Het idee op dit eiland was dat de auto uit beeld zou blijven. Daarom moesten de auto’s achter de woningen geparkeerd worden. Op de brink mochten maar een paar auto’s staan. Maar nu blijkt dat er ‘parkeerdruk’ ontstaat, ziet onze ‘gebiedsmanager’ maar één oplossing: nog meer parkeerplaatsen op de brink. ‘Hiervoor zal een percentage gras worden omgevormd’, schrijft hij. In Nederland wonen we op een bebouwde parkeerplaats. Op Eiland 7 is het ondanks alle goede bedoelingen niet anders gegaan. De brink wordt een parkeerplaats met veel bomen. De auto is hier in veel opzichten de maat der dingen.

Toch bevalt het hier wel. Zolang de directe buren maar geen gekke uitbouwen maken en grote hutten bouwen. Ons huis vinden we mooi en comfortabel. En een tuin went, blijkt. Het huis was bedoeld voor een groot parttime gezin en inmiddels staan de oudste kinderen met één been buiten het huis. De Amsterdammers in het gezelschap vinden het hier maar niets: de stad wint het, altijd. Binnenkort is het huis wat groot, duur is het al. Maar als de hypotheekrente nou niet al te veel stijgt, dan moeten we hier maar wat langer blijven dan we eerst gedacht hadden.

Theo Baart: Eiland 7, Berichten uit de nieuwbouwwijk, NAi uitgevers, 212 blz, € 29,50