Spatie a, b, of c om te raden van welke Oyens het is

David Oyens, Het inlijsten door de kunstenaar, 1878. Olieverf op paneel

Tentoonstelling De gebroeders Oyens, schilderstweeling. T/m 13 juli in het Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag.

De Nederlandse schilders Pieter (1842-1894) en David Oyens (1842-1902) waren eeneiige tweelingbroers. Ze leken sprekend op elkaar, niet alleen in levenden lijve maar ook in hun werk.

Hun schilderijen zijn wat onderwerp en stijl betreft nauwelijks van elkaar te onderscheiden. Bezoekers van de Oyens-tentoonstelling in het Haags Gemeentemuseum kunnen daarom deelnemen aan een prijsvraag. Er hangt een portret van een bohémien met vrolijke varkensoogjes en een snor, gekleed in een driedelig pak en met een glas wijn in zijn hand. De vraag is: heeft David Oyens hier Pieter Oyens weergegeven, of Pieter David, of een van beiden zichzelf? Sms Oyens spatie a, b of c en win iets geheel verzorgds voor twee personen.

Afgezien van die prijs is er geen reden om ons druk te maken over de verschillen in stijl of opvatting tussen de broers. Zelf deden de gebroeders dat ook niet. Ze legden op dezelfde manier dezelfde wereld vast: de wereld van kunstenaars en kunstlievenden in Brussel tegen het einde van de negentiende eeuw. De tweeling woonde en werkte daar vanaf 1860. Brussel was toen nog een bruisende stad, oh la la en olijk, om met Liesbeth List te zingen, en dat zie je aan de schilderijen af.

In donkere interieurs met zware gordijnen, tapijten en tafelkleden zitten dames en heren geamuseerd naar elkaar te luisteren of kunst te bekijken. Er wordt gelachen en geflirt, gedronken en gerookt. Door menige voorstelling kringelt blauwgrijze rook. Ondanks alle hoeden en strikken is de sfeer meestal ongedwongen.

Dit is het goede leven, dit zijn vrolijke gezelschappen à la Jan Steen en Willem Buytewech, maar dan twee eeuwen later geschilderd. Genrestukken die je eerder als soort bijblijven dan als afzonderlijke beelden.

De werken die wél beklijven zijn vooral schilderijen van schilders die met schilderijen in de weer zijn. Daumier-achtige voorstellingen waarin een van de broers een vers doek laat zien aan een mogelijke koper, of wijzend en gebarend zijn werk toelicht voor een geïnteresseerd echtpaar.

Vaak is de achterkant van het schilderij te zien, letterlijk en figuurlijk: de atelierscènes zijn kijkjes in de keuken. Een vriend van de broers spijkert een doekje vast in een lijst. Pieter schilderde David terwijl hij met een sigaartje in de hand tuurt naar een nieuw werk, dat wij op de rug zien. David op zijn beurt schilderde Pieter staand achter een ezel, zijn palet en hand en hoofd héél dicht bij het kleine schilderij waaraan hij werkt, alsof hij ermee samenzweert. Hij gaat er volledig in op, het rommelige atelier om hem heen bestaat niet meer.

Vergelijkbaar is de houding van een heer met hoge hoed en wandelstok die zich op een tentoonstelling naar een schilderijtje toe buigt om het beter te bekijken. Een wonderlijk beeld, want terwijl je kijkt naar die man, in 1878 in Brussel geschilderd door Pieter Oyens, besef je: zo sta ik er zelf ook bij, nu, op de Oyens-tentoonstelling in Den Haag. Zonder hoed en stok weliswaar, maar verder is er niets veranderd.

Of jawel, toch: het rustige daglicht van daar en toen heeft helaas plaatsgemaakt voor eenentwintigste-eeuwse lampen, die de Haagse presentatie iets goedkoop theatraals geven. In de grotere schilderijen leggen die schijnwerpers bovendien misplaatste accenten. Ergerlijk zijn ook de tableaus van oude schilderspullen en negentiende-eeuwse meubels in de tentoonstellingszalen.

Wat denkt het Gemeentemuseum daarmee te bereiken? Zo’n sms-actie rond het (zelf)portret is zo gek nog niet, die zet bezoekers aan tot kijken en vergelijken. Maar al die spullen tussen de schilderijen leiden de aandacht alleen maar af. De wereld van de gebroeders Oyens vind je in de kunst van de tweeling zelf, niet in het oppervlakkige etaleurswerk van de tentoonstellingsvormgevers.