Ouwe klare

Het EK zal niet alleen gekleurd worden door jongetjes als Sneijder, Van Persie en Ronaldo. De jeunesse dorée is altijd leuk voor media, sponsors en dames, en soms ook voor het voetbal zelf, maar een eindtoernooi ontbloot andere krachten dan schoonheid en talent. Er worden weinig titels gepakt op pure klasse. Brazilianen zijn van de vorige eeuw.

Vier jaar geleden werd Griekenland Europees kampioen. Geen mens in Europa die wist wie Antonis Nikopolidis of Angelos Charisteas was. Bondscoach Otto Rehhagel, toen alreeds een diepe zestiger, zag er uit als een ruïne. De Meistermacher wordt zeventig en hij is nog steeds bondscoach.

Er zit meer ouwe klare op de bank in Zwitserland en Oostenrijk. Luis Aragonés van Spanje is ook zeventig. Karel Brückner van Tsjechië, Felipe Scolari van Portugal: diepe zestigers. Onze eigenste Guus Hiddink en Leo Beenhakker zijn stilaan bejaard te noemen.

Marco van Basten is een snotneus.

Ik vind het wel iets hebben, zo’n oude man aan de zijlijn. Nog vol van woord en gebaar. Vuistenmakertje soms. En maar met de handen naar het hoofd grijpen bij een afgekeurd doelpunt. Rinus Michels heeft pas in 1988 de eeuwigheid bereikt toen hij de gerimpelde handen voor de ogen sloeg, na het doelpunt van Van Basten. In dat ene gebaar zat iets diep menselijks: verwondering. Nooit had iemand gedacht dat deze gave ook in het pakket van de ouwe knar zat.

Een nationaal voetbalelftal heeft een oude dag nodig in zijn midden. Materiaalmannen moeten sowieso een gouden bruiloft achter de rug hebben om vertrouwen te wekken. Nog beter: weduwnaar zijn. Idem dito met dokters, fysiotherapeuten en masseurs. Het zou totaal lachwekkend zijn, een jonge schraalhans als André Rouvoet het veld te zien oprennen om de enkel van Arjen Robben weer in het gelid te brengen. Ondersteunend personeel in het voetbal mag niet rennen, het moet waggelen.

Soms creëert de leeftijd haar eigen potsierlijkheid. De bodycheck waarmee de Portugese bondscoach Scolari een collega-trainer tegen de grond smakte, maakte van temperament een spastische karikatuur. Of de trap die Guus Hiddink naar een tv-toestel gaf: ontluisterend in zijn stramheid. Heel treurig wordt het als de zestigers voor een wedstrijd ook nog in trainingspak verschijnen. Dan zie je ineens dat alles is gaan hangen. De speklagen op het middenrif, vooral. Otto Rehhagel in trainingspak als het miezert: je gaat plaatsvervangend verlangen er niet meer te zijn.

Ik had het, eerlijk gezegd, niet meer verwacht, maar Leo Beenhakker lijkt mooi oud te zullen worden, op de bank. Hij is verstild, blaast minder, en de pathetiek van de haren beroeren reserveert hij nu voor de persconferentie na de wedstrijd. Leo is meer beeld dan mens geworden. Er ligt een steen in het diepst van zijn gedachten.

Toch zei hij in de krant: „Ik stop met dit vak als ik een rollator nodig heb.” Ouderwetse oneliner van de Andreotti van het voetbal: senator voor het leven. Er schuilt al jaren een politicus in Leo Beenhakker, een verlicht populisme. Deze week was hij furieus over de voorpagina van een Poolsetabloid. Het blad toonde Beenhakker met een zwaard en twee afgehakte hoofden in zijn handen, het ene van de Duitse bondscoach Joachim Löw, het andere van sterspeler Michael Ballack. Dit alles onder de kop: Leo bezorg ons die hoofden.

Beenhakker was des duivels. Hij sprak van wansmaak en riooljournalistiek, van stront en zieke mensen. Vervolgens bracht hij hulde aan het Duitse voetbal, dat respect verdient. Leo anticipeerde perfect op de commotie die het hele land deed sidderen, in de regie van Bild Zeitung. Nog geen etmaal later was hij al uitgeroepen tot man van beschaving, tot vriend van Duitsland, tot norm van sportiviteit. Aan het einde van het EK wacht Leo Beenhakker op zijn minst het ereburgerschap van Berlijn. Audiëntie bij Angela Merkel kan er ook af.

De Nederlandse coach is een meester in het naar zijn hand zetten van incidenten, domheid en folklore. Hij kent de gevoelige snaren van burgers en naties. Het is wijsheid die door de jaren heen is gegroeid. Wat ook de uitslag van de wedstrijd Duitsland-Polen is, Don Leo zal als held van het veld gaan. Later op de avond zal hij met een zucht verklaren: „Ik moest toch effe aan Willy Brandt denken.”

Willy wie, Marco? „Willy van de Kerkhof?”