Oranje

Ergens in de zomer van 1974 gingen mijn oudste zoon en ik naar de eindstrijd van het wereldkampioenschap voetbal kijken. De familie was in Spanje. Het vakantiehuisje had geen televisie, maar in de buurt was een sporthal die voor de gelegenheid van een grote kijkfaciliteit was voorzien. Oranje trad aan tegen Duitsland, de vervaarlijke Mannschaft, maar wij hadden Johan Cruijff, de tovenaar. Mijn zoon, toen zestien, zag de toekomst met rotsvast vertrouwen tegemoet.

In de sporthal zaten ongeveer duizend Duitsers, wij waren de enige Nederlanders. De wedstrijd begon, het werd 1-1 en toen maakte iemand die zich Der Bomber noemde, nog een bedenkelijk doelpunt. Na nog wat vruchteloos heen en weer getrap klonk het eindsignaal. In de sporthal werd een hysterisch vreugdegehuil aangeheven. Over het verlaten landweggetje liepen vader en zoon langzaam, zwijgend, verenigd in hun voetbalverdriet terug naar het huisje. Nooit heb ik me zo moedeloos, zo machteloos gevoeld.

Vier jaar later (denk ik nu, ik ben geen voetbalhistoricus) kwam in Argentinië de wraak. Arie Haan loste van een meter of veertig afstand een ontzettend hard verrassingsschot. De bal was onhoudbaar voor de Duitse keeper heen en de Mannschaft was uitgeschakeld. Dit was geen doelpunt, het was een executie, heb ik toen geschreven. Er valt niets aan te doen, het voetbal zit in de moderne volksziel, niet alleen bij ons. Ook bij de Belgen, de Italianen, en de Spanjaarden niet te vergeten, alle volken die zich tot de moderniteit van de westerse beschaving rekenen. Alleen bij de Amerikanen wil het er nog niet in. Die doen het met baseball, football en ijshockey.

Toch is er een verschil tussen het Nederlandse volk en de omringende concurrentie. Wij doen meer, nadrukkelijker en uitvoeriger alsof we al gewonnen hebben terwijl wat we ‘het sportfestijn’ noemen, nog moet beginnen. Ik volg de gebeurtenissen nu van een grote afstand, op een plaats waar ik voor het vaderlandse nieuws op internet en de Volkskrant van gisteren ben aangewezen. Ook via die kanalen dreunt het voetbalgeweld al krachtig door. Freek de Jonge (63) zal aanstaande maandag een speciale EK-tram van het GemeenteVervoerBedrijf in Amsterdam besturen, las ik. (Waarom, vraag ik me af, wordt zijn leeftijd erbij vermeld? Is het een bedekte waarschuwing? Worden cabaretiers van boven de zestig als trambestuurder niet meer helemaal betrouwbaar geacht?)

In ieder geval zit Freek maar één rit op de bok. Daarna wordt hij conducteur. Deze tram die de hele week door de stad rijdt, is speciaal ‘uitgedost’ voor het WK. Ik veronderstel dat hij oranje geverfd is, en van oranje vlaggetjes en ballonnen voorzien. En misschien ook met portretten van de nationale helden. De cabaretier krijgt versterking van het dweilorkest de Teletoeters. Wat een dweilorkest is weet ik tot mijn schande ook al niet, maar bij de naam Teletoeters kan ik me wel iets voorstellen.

Maandag spelen we tegen Italië. We hebben dus een heel weekeind om de stad oranje te verven en al doende ook een beetje rond te stampen. Ook in de Volkskrant las ik een beschouwing van Rutger Pontzen over de betekenis van de kleuren en het effect van een kleur op de geest. Blauw werkt kalmerend en geel bevordert de activiteit als je moedeloos of melancholiek bent. En oranje, zou volgens de wetenschap „een existentiële angst en een unheimisch gevoel bij de spelers bevorderen.” Ik kan me dat wel indenken. Daar sta je op het veld, in het besef dat miljoenen mensen van je verwachten dat je binnen twee maal drie kwartier de tegenstander inmaakt en begraaft. Als ik een speler was, zou ik eens stiekem kijken waar de nooduitgang was.

Maar welk effect heeft oranje bij het publiek, de supporters, het legioen? Mijn theorie is dat de kleur er niet toe doet. Het gaat erom dat er maar één kleur is. Toen het Oostblok nog bestond zag je, in welke volksdemocratie je ook kwam, alleen maar rood. Oost-Berlijn was een rode stad. De machthebbers van destijds hebben waarschijnlijk gedacht dat dit mobiliserend zou werken. Integendeel, het was om gek van te worden. Maar zoals gebleken is: dit tegendeel mobiliseerde ook. De Muur viel, en daarna was het rood vlug verdwenen.

Nederland heeft een speciaal voetbal-oranje. Wat er ook gebeurt, dit wekt op tot collectieve razernij. Als we winnen gaan we hossen en zuipt een groot deel van het volk zich vol tot aan zijn kruin. Verliezen we, dan verzinkt een deel in diepe droefheid, terwijl zich van de anderen ook een razernij meester maakt, maar in dit geval veel gevaarlijker. Vier jaar geleden werden we door de Portugezen in de halve finale verslagen en daarmee was het EK voor Nederland afgelopen. De bondscoach Dick Advocaat kreeg de schuld. Hij had in eerdere wedstrijd het voetbalgenie Arjen Robben vervangen door een relatieve sukkel. Haat loeide Advocaat tegemoet, hij kreeg scheldmail en kogelbrieven, werd een gebroken man. Gelukkig is hij later weer opgeknapt. Maar wel leert die geschiedenis wat het voetbal-oranje in deze tijd kan aanrichten.