Openheid in China is niet begonnen met aardbeving

In zijn nieuwsanalyse over de openheid van de Chinese leiders na de aardbeving in de provincie Sichuan (NRC Handelsblad, 20 mei) maakt correspondent Oscar Garschagen een vergelijking met het publiekelijk verzwijgen van de veel zwaardere aardbevingsramp in het China van Mao Zedong in 1976. Een interessante vergelijking, maar om daaruit te concluderen dat ”China nu geleerd heeft” dat openheid loont en mensenlevens redt, gaat voorbij aan het feit dat de huidige mate van openheid in China allang geen nieuw verschijnsel meer is. Over de hele linie is het regeringsbeleid relatief open en passend bij het toegenomen zelfvertrouwen van China. Of het nu gaat om de omhooggeschoten Chinese inflatiecijfers, de ernstige milieuverontreiniging, de toenemende inkomensverschillen tussen stad en platteland, de grote tekortkomingen in de publieke gezondheidszorg, over al deze politiek gevoelige zaken wordt in China allang niet meer geheimzinnig gedaan.

In de afgelopen zeer strenge winter is grote openheid betracht over het wekenlang uitvallen van de elektriciteitsvoorziening in delen van het land en het stranden van miljoenen treinreizigers aan de vooravond van het Chinese Nieuwjaar. Garschagen wil dezelfde openheid zien in Tibet. Zeker, Tibet is tijdelijk voor buitenlanders afgesloten. Daar staat tegenover dat in de afgelopen maanden talrijke officiële en officieuze artikelen over de kwestie zijn gepubliceerd in de Chinese kranten, uitgebreid en diepgaand als waarschijnlijk nooit eerder is gebeurd. Over de Chinese argumentatie is tot dusverre opvallend weinig diepgaand bericht in deze krant.

Merkwaardig is ook dat in Chinese kranten te lezen valt dat de grote Europese landen, Duitsland, het Verenigd Koninkrijk en Frankrijk, in de afgelopen maanden formeel en expliciet aan Peking hebben laten weten Tibet te beschouwen als onvervreemdbaar deel van China, terwijl deze informatie niet te vinden is geweest in deze krant. Misschien is China opener over de kwestie- Tibet dan wij.