Ook in Juba kun je spreien slijten

Kleine handelaren in Afrika doorkruisen het hele continent. Vaak stuiten ze op xenofobie .

Grace verkoopt gehaakte beddenspreien in Juba. Na een reis van vier dagen kwam ze in Juba aan, de hoofdstad van Zuid-Soedan: eerst vanuit haar woonplaats Kampala in één nacht naar Kenia waar ze de dekkleden kocht, toen met haar zakken handelswaar op sjouw terug naar de Oegandese hoofdstad Kampala en vandaar in twee dagen naar Juba. Het vervoer ging met per bus over pokdalige wegen, zittend op een hard bankje met nauwelijks beenruimte. „Ik heb ze na vier dagen venten alle tien verkocht”, vertelt ze triomfantelijk in Juba, „met genoeg winst”.

Ergens is altijd een gat in de markt, zelfs voor beddenspreien in het bloedhete Juba.

Jean-Pierre heeft tientallen jerrycans metershoog op zijn fiets gebonden in het Congolese Goma. Daarmee stapt hij in drie dagen over gevaarlijk glibberige junglepaadjes naar Kisangani, waar hij zijn waar met luttele winst verkoopt. Op de markt van Kisangani heeft Amadou een muziekkraampje, hij komt uit Senegal en zocht vijf jaar geleden zijn geluk in Congo. Farah werd geboren in Noord-Somalië, hij trok zuidwaarts en vestigde zich in een dorpje langs de Keniaans-Tanzaniaanse grens, waar hij verdient aan een smokkelroute van gestolen auto’s voor Zuid-Afrika. En Abdullah tuft met zijn kamelen, vol gehangen met dvd-recorders, door de steenwoestijn van Djibouti, om zijn smokkelwaar in Ethiopië te slijten.

Grace, Jean-Pierre, Amadou, Farah en Abdullah: Afrikanen reizen. Tienduizenden zijn aldoor op pad, voor een prikje slapen ze in smoezelige hotelletjes en eten er één bord bonen per dag. Over grote afstanden, in bussen, op het dak van treinen of achterop vrachtauto’s. Op zoek naar een beetje winst, een korte aanstelling of een verre oom of tante die nog wel een kostwinner kan hebben.

Aan onderwijs heerst gebrek en voor scholen leggen jongeren honderden kilometers af, niet zelden over landgrenzen. Godfrey vluchtte als peuter met zijn familie van Zuid-Soedan naar de Centraal Afrikaanse Republiek, een wandeltocht van drie weken door een land met leeuwen, landmijnen en legergroepen. Hij was hongerig naar onderwijs en na vijf jaar op een Franstalige basisschool van een katholieke missiepost keerde hij terug naar zijn geboortegrond. Na die hachelijke tocht van twee weken door oorlogsgebied besloot hij nog eens twee weken door te stappen naar Oeganda. Daar vond hij zijn gewenste Engelstalige middelbare school. Maandenlang kapte hij het olifantgras voor de schoolmeester en verdiende daarmee zijn schoolgeld. Tien jaar later studeert hij aan een Soedanese universiteit en spreekt hij Engels, Frans, Arabisch en zijn stamtaal.

Op zoek naar kansen stuiten werkzoekende zwervers op obstakels van xenofobie. Afrikaanse politici zijn broeders op het platform van de continentale samenwerking, maar de inter-Afrikaanse ploeteraar wordt gekweld door corrupte politieagenten die snuffelen naar smeergeld. Somaliërs in Nairobi vormden al lang geleden een eigen woonwijk, Little Mogadishu, maar nog steeds zijn ze kwetsbaar en favoriet bij corrupte ambtenaren. Net als Kenianen in Tanzania of Rwandezen in Congo.

Gastvrijheid is een deugd in alle Afrikaanse culturen. Op politiek niveau vervagen die waarden. Na de hausse door de oliewinning in Nigeria in de jaren zeventig had het land geen behoefte meer aan gastarbeiders en in 1983 zette het pardoes twee miljoen buitenlanders uit. Ivoorkust bouwde al vóór de onafhankelijkheid zijn plantage-economie op met het zweet van miljoenen West-Afrikanen, tot de politiek het vijftien jaar geleden opportuun achtte hen weg pesten. Libië, pleitbezorger van Afrikaanse eenheid, wees in 1995 40.000 Soedanezen en Egyptenaren uit.

Immigranten van niet-Afrikaanse afkomst – Libanezen in West-Afrika, Indiërs in het oosten en Grieken in Midden-Afrika – worden in grimmige tijden nog gemakkelijker slachtoffer van haat. De onteigening van Indiërs in de jaren zeventig door Idi Amin in Oeganda veroorzaakte een exodus, met huilende moeders die al generaties in Afrika woonden.

Problemen in het verre buitenland ten spijt blijven Afrikanen speuren naar werk en opleiding. Maakt Grace van de gehaakte beddenspreien zich geen zorgen? Zuid-Soedan liep na het vredesverdrag van 2005 vol met ondernemende Kenianen en Oegandezen. „De buurlanden steunden de bevrijdingsstrijd van Zuid-Soedan, daarom staan de Zuid-Soedanese politici bij ons een beetje in de schuld”, hoopt ze. Maar in Juba voelt ze hoe de nijd groeit, steeds vaker worden Oegandezen door criminelen aangevallen. Grace gaat toch weer tien nieuwe beddenspreien kopen in Kenia. „Ik heb weer geld verdiend om mijn dochter te laten studeren. Als ik niet meer in Zuid-Soedan kan komen, probeer ik het in Congo.”