‘Niemand maakt zich druk om corruptie’

De Wereldbank gaat ervan uit dat zo’n 10 procent van haar budget verdwijnt in de zakken van corruptie ambtenaren en politici. Maar het is veel meer, zegt Steve Berkman.

Steve Berkman Oud-topfunctionaris van de Wereldbank betoogt dat ontwikkelingsgeld veel vaker dan gedacht in zwart gat verdwijnt

Regeringsfunctionarissen die fondsen misbruiken voor studiebeurzen voor langdurig verblijf in het buitenland. Leningen voor landbouwmachines die verdwijnen naar bankrekeningen op de Bahama’s. Honderdduizenden dollars uit armoedefondsen die weglekken naar onkosten- en huisvestingsvergoedingen voor projectmedewerkers die niet bestaan.

Het was dagelijkse praktijk die oud-topfunctionaris van de Wereldbank Steve Berkman tegenkwam toen hij als lid van een speciaal anti-fraudeteam tussen 1995 en 2002 onderzoek deed naar misbruik en corruptie met leningen van de Wereldbank in met name Afrika en Zuid-Amerika.

Interne schattingen van de instelling gaan ervan uit dat zo’n 10 procent van het budget van de bank (jaarlijks ruim 20 miljard dollar) verdwijnt in de zakken van corrupte politici, ambtenaren en projectmedewerkers. Berkman schat dat percentage veel hoger in, op zo’n 30 tot 40 procent. Of, zoals hij becijfert in zijn binnenkort te verschijnen boek The World Bank and the Gods of Lending: dagelijks verdwijnt er tussen de 6 en de 17 miljoen dollar in de zakken van corrupte politici en ambtenaren. „En niemand bij de Wereldbank kijkt ernaar om of zoekt goed uit waar dat geld gebleven is. De vraag wie verantwoordelijk is voor dat misbruik en hoe er geld kan worden teruggevorderd, wordt niet of nauwelijks gesteld.”

Waarom stond fraudebestrijding zo laag op de agenda?

„Tot 1995 was fraudebestrijding geen issue voor de Wereldbank. Daar sloot men de ogen voor. Ondanks waarschuwingen dat de beschikbaar gestelde geldstromen van de wereldbank vooral een melkkoe waren voor corrupte politici en manipulerende ambtenaren. Ook toen al verdween er volgens interne schattingen zo’n 2 miljard dollar op jaarbasis. Maar niemand zocht uit wie daar verantwoordelijk voor was of wie zijn zakken vulde. Het plunderen van bankrekeningen werd in Washington hoogstens toegeschreven aan externe factoren, waar de bank geen grip op had.”

Wat gebeurde er na 1995?

„Toen leek er een omslag te komen door het aantreden van president Wolfensohn in 1995. Ik werd gevraagd om mee te werken aan de opzet van een anti-fraudeteam. Aanvankelijk ging het goed, zeker nadat Wolfensohn de publiciteit zocht met zijn pogingen om corruptie een halt toe te roepen. We werden overspoeld met tips. Sommigen waren loos alarm, maar het gros was dat niet. Alleen werd de werkdruk te groot, terwijl de bureaucratie in onze fraudeorganisatie groeide. Veel functionarissen kregen een houding van: we weten nu wel dat er zoiets als corruptie bestaat, we moeten het maar als een fact of life accepteren.

„En er was de vraag wat de betrokken landen met onze bevindingen deden. We hebben onderzoek gedaan naar fraude met onze fondsen, waarbij regeringsfunctionarissen sjoemelden met aanbestedingsprocedures en smeergeld ontvingen. Die bevindingen hebben we overgedragen aan de betrokken regeringen, maar die weigerden justitieel onderzoek te doen. De Wereldbank zelf kan dat niet. Een voorbeeld: Ik deed onderzoek in Zambia. Voor 40.000 dollar zou een centrum voor literatuur en apparaten gebouwd worden. Maar ik trof ter plekke alleen een winkelruimte met een nagenoeg lege inventaris aan. En de enige medewerker vertelde mij dat hij in opdracht van regeringsfunctionarissen maandelijks papieren moest invullen voor zogenaamd bestelde apparatuur en boeken. Daar kreeg hij dan geld voor dat hij, met behoud van een kleine commissie voor hemzelf, moest inleveren bij diezelfde regeringsfunctionarissen. Daar hebben we melding van gemaakt. De medewerker moest vervolgens het veld ruimen, de regeringsfunctionarissen zelf bleven ongemoeid.”

Waarop baseert U uw schatting dat 30 tot 40 procent van het budget verdwijnt in de zakken van corrupte politici en ambtenaren?

„Dat is een schatting op basis van mijn ervaring in Afrika en Zuid-Amerika en de tientallen onderzoeken en deelonderzoeken die ik na 1995 heb gedaan. Overal trof ik grootschalige fraude aan. Vaak werd die ook bevestigd door de betrokken autoriteiten, maar werd daar verder geen vervolg aan gegeven. Ik heb mijn bevindingen voorgelegd aan tal van direct betrokken in en buiten de Wereldbank. Maar bij de bank overheerst de cultuur van goedkeuren van leningen. Dat is prioriteit onder het motto: als we niet lenen, vervalt ons bestaansrecht.”

Na 18 jaar bij de Wereldbank bent u nu een soort interne klokkenluider. Hoe reageren uw ex-collega’s?

„Wolfensohn liet via een bevriend bankier weten dat hij achteraf geen munitie wilde geven aan criticasters van de Wereldbank, maar vond het ook niet nodig om mijn bevindingen te ontkennen. Een van de voormalige bewindvoerders van de bank, de Nederlander Paul Arlman, heeft mijn manuscript een ‘harde les hoe je een bank niet moet runnen’ genoemd. Op de bank zelf zal de reactie er een van stilzwijgen of ontkenning zijn, want dat is altijd zo geweest. Maar ik ben ook nog niemand tegen gekomen die mijn bevindingen, ook niet over die fraudepercentages, heeft weerlegd. Dat kan ook niet, want tot op de dag van vandaag kan niemand bij de Wereldbank vertellen hoeveel geld er verdwijnt. Terwijl ze daarvoor wél de onderzoekscapaciteit in huis hebben. Laat ze aantonen dat ik ernaast zit!”

Wat zijn de consequenties hiervan voor de internationale ontwikkelingssamenwerking?

„Het is al langer bekend dat daardoor in de derde wereld corrupte en inefficiënte overheden in het zadel worden gehouden. Maar als de Wereldbank beleidsmatig geen antwoord heeft op die corruptie, dreigen er nieuwe gevaren. De voedselcrisis zal tot nieuwe leningen in corruptiegevoelige landen leiden. Zal de Wereldbank daarmee weten om te gaan? En de bank dreigt haar monopoliepositie te verliezen door de opmars van Chinese financiers, juist in die kwetsbare landen. Die Chinese financiers zijn alleen op zoek naar landen met grondstoffen en zullen investeren zonder de corruptievraag te stellen. Wat zal dan het antwoord van de Wereldbank zijn?”