KLEUREN BLIND ONDERWIJS

In de Verenigde Staten wordt geprobeerd met ‘kleurenblind’ onderwijs de vorming van zwarte scholen te voorkomen. Inkomen van ouders is bepalend: een klas mag maximaal 40 procent arme kinderen bevatten. Iets voor Nederland?

Integratie van zwarte kinderen op witte scholen is in de VS sinds de jaren vijftig vaak in rechtszaken afgedwongen, zoals in 1957 in Little Rock, Arkansas 06 Sep 1957, Little Rock, Arkansas, USA --- Elizabeth Eckford ignores the hostile screams and stares of fellow students on her first day of school. She was one of the nine negro students whose integration into Little Rock's Central High School was ordered by a Federal Court following legal action by NAACP. --- Image by © Bettmann/CORBIS Bettmann;CORBIS

Op de Martin Luther Kingschool in het Amerikaanse Cambridge zwaaien achttien kleuters van amper vier jaar met hun armen en wippen ze op hun tenen. Ondertussen spreken ze op aanwijzingen van een breed lachende Chinese juf volzinnen in het Chinees. Voor de niet-Chinees sprekende buitenstaander klinkt het alsof deze vierjarigen hun hele leven nooit anders hebben gedaan.

De meeste van deze watervlugge wezentjes zijn echter niet Chinees maar blank, hispanic, zwart of een of andere mengvorm. De Martin Luther Kingschool heeft twee jaar geleden Chinees als tweede taal ingevoerd. Waarom Chinees? Directeur Carol Learned-Miller kijkt met een blik van hoe-komt-het-dat-je-die-vraag nog moet stellen? ‘Chinees is de tweede wereldtaal en de eerste taal van eenderde van alle bewoners op deze aarde. Met de economische groei van het huidige China gaan we het Chinees heel hard nodig hebben.’

Twee jaar terug leidde de Martin Luther Kingschool een kwijnend bestaan. Na de aanstelling van Learned-Miller en de invoering van het Chinees groeit het aantal leerlingen weer en veel meer middenklasse-ouders kiezen nu voor deze openbare lagere school, in plaats van voor een particuliere school.

In Amerika heeft de strijd tegen segregatie in het onderwijs een traditie van vijftig jaar. Veel openbare scholen in steden zijn van oudsher ‘zwart’. Net als in Nederland is sprake van een witte vlucht, van de blanke middenklasse naar buitenwijken met ‘witte’ scholen.

Cambridge, bij Boston, is door de aanwezigheid van universiteiten als Harvard en MIT misschien wel de gemeente met het hoogste percentage hoogopgeleiden van de VS. Maar de universiteitsstad heeft net zoals iedere Amerikaanse stad ook een arme en laagopgeleide bevolkingsgroep, vaak van Afro-Amerikaanse of Hispanic afkomst. Vijf jaar geleden stapte het kleine openbaar onderwijsdistrict (twaalf basisscholen en een school voor voortgezet onderwijs) over van spreiding van leerlingen op basis van ras naar spreiding op basis van het inkomen van de ouders.

In het district Cambridge behoorde meer dan de helft van de leerlingen tot een etnische minderheid. Raciaal ‘evenwicht’ creëren in scholen was hierdoor een onmogelijke taak. Er zijn ook veel leerlingen uit minderheden, zoals bijvoorbeeld Chinezen, die niet als kansarm gelden. Vandaar dat gezocht werd naar een nieuwe verdeling van leerlingen die meer recht zou doen aan de economische positie en mensen niet aansprak op hun etniciteit.

Om meer hoogopgeleide ouders uit de middenklasse over te halen voor het openbaar onderwijs in Cambridge te kiezen, voerde het schoolbestuur ook vrijheid van schoolkeuze in en kregen de scholen een onderwijsthema. Schoolkeuze is een unicum in de VS. Leerlingen in het openbaar onderwijs worden meestal toegewezen aan scholen op basis van hun woonadres.

Middenklasse keert terug

Die stap, spreiding op basis van het inkomen van de ouders, deed het openbare schoolsysteem van Cambridge goed. In vijf jaar tijd is het aantal kinderen van middenklasse ouders in het eerste jaar van de kleuterklas toegenomen van 50 procent naar 68 procent. Het aantal ‘arme kinderen’ daalde naar ongeveer 30 procent. Arm is in dit geval niet hetzelfde als gekleurd: het aandeel minderheden in het eerste jaar is nu 51 procent. Naast de groei van middenklasseleerlingen is ook het totale aantal leerlingen de afgelopen jaren met 10 procent toegenomen. De middenklasse keert terug naar het openbaar onderwijs in Cambridge.

Cambridge is een van de 45 (van in totaal bijna 15.000) openbare schooldistricten in de VS die de afgelopen vijf jaar zijn overgestapt van verdeling van leerlingen op basis van ras naar een verdeling volgens sociaaleconomische factoren. Bijna 3 miljoen leerlingen gaan in het huidige Amerika op deze manier naar school. En nog eens tien grote schooldistricten, waaronder Los Angeles en delen van New York, staan op het punt om het in te voeren.

Van de andere schooldistricten is onbekend hoeveel er wel of niet aan raciale spreiding doen. In de openbare schooldistricten van veel grote steden is die spreiding vaak niet eens meer mogelijk door een groot gebrek aan blanke kinderen. Maar met de groeiende zwarte middenklasse is spreiding op basis van inkomen een alternatief.

Naast de hoop op een toename van middenklasseleerlingen is er nog een andere belangrijke reden waarom andere schooldistricten overstappen op verdeling van leerlingen op grond van sociaaleconomische factoren: de hoopgevende schoolprestaties van arme leerlingen in Cambridge, maar ook andere schooldistricten als Wake County in North Carolina en La Crosse in Wisconsin. Uit onderzoek van Richard Kahlenberg van het Brookings Institute, een denktank in Washington, blijkt dat arme, vaak zwarte, leerlingen in deze schooldistricten het in de landelijk verplichte testen voor wiskunde en Engels stukken beter doen dan de arme leerlingen in andere schooldistricten met dezelfde raciale samenstelling maar zonder spreiding.

Misschien nog belangrijker voor het succes van de verdeling van leerlingen op basis van sociaal economische factoren: de middenklasseleerlingen leveren qua prestaties niets in bij een cruciale samenstelling: minimaal 60 procent middenklassekinderen en maximaal 40 procent arme kinderen.

De positieve resultaten van sociaal-economische schooldesegregatie bleven in de VS niet onopgemerkt. De nationale pers stond vorige zomer op de stoep bij de kantoren van de verschillende schooldistricten. De aanleiding voor de nationale belangstelling was een uitspraak van het Supreme Court, het Federaal Hooggerechtshof van de VS. Dit hoogste gerechtshof stelde afgelopen zomer vast dat scholen geen desegregatiebeleid meer mogen voeren op basis van ras, omdat dat in strijd is met de grondwet. Met deze uitspraak komt in de VS een einde aan meer dan vijftig jaar pogingen tot desegregatie van het onderwijs op basis van ras. De schoolbesturen in Amerika zijn nu hard op zoek naar alternatieven. Spreiding op basis van sociaal economische factoren lijkt een kleurenblind alternatief voor spreiding op basis van etniciteit.

Zwarte socioloog

De strijd tegen de segregatie in het Amerikaanse onderwijs duurt al meer dan een halve eeuw. Emeritus hoogleraar sociologie Charles Willie van Harvard University: ‘We beginnen nu pas een beeld te krijgen wat wel of niet werkt.’ De tachtigjarige Willie is de eerste zwarte hoogleraar sociologie in de VS met meer dan veertig jaar ervaring in het tegengaan van de segregatie in het Amerikaanse onderwijs én het brein achter de verdeling van leerlingen op basis van sociaal economische factoren. ‘We weten nu dat raciale desegregatie misschien wel tot scholen met een raciaal evenwicht leidt maar ook dat het kan leiden tot scholen met een meerderheid van arme kinderen. En een meerderheid van arme kinderen in een school van welke afkomst dan ook leidt tot slechte prestaties van alle kinderen. Daarnaast leidt dwang tot weerstand, dus moet je ouders iets teruggeven voor de poging om scholen evenwichtig te maken.’

Willie spreekt van ‘gecontroleerde schoolkeuze’. Want de verhouding tussen middenklassekinderen en arme kinderen bepaalt de mogelijkheden. Voor iedere school zijn twee wachtlijsten gebaseerd op het inkomen van de ouders. De concurrentie die tussen scholen ontstaat door de schoolkeuze is volgens Willie dé voorwaarde voor het succesvol tegengaan van segregatie. ‘Middenklasse-ouders eisen onderwijs van goede kwaliteit. Scholen gaan door concurrentie beter presteren. Het tegengaan van onderwijssegregatie en goed onderwijs moeten dus altijd samen gaan en dat moet je als schoolbestuur ook duidelijk kunnen aantonen’, aldus Willie.

Schoolsegregatie Nederland

Nederland is door de snel groeiende segregatie in het onderwijs hard op zoek naar oplossingen. Protest tegen gedwongen spreiding leidde tot rellen en brandende schoolbussen in Boston in de jaren zeventig. Mede door dat beeld bestaat in Nederland het idee dat het Amerikaanse model van spreiding geen oplossing biedt voor onze zwarte scholen.

De geschiedenis van onderwijssegregatie in Nederland is in vergelijking met de VS een jong verschijnsel. Het ontstond zo’n 25 jaar geleden met de massale komst van de kinderen van vaak laag opgeleide gastarbeiders uit Turkije en Marokko. In 2001 deden de Amerikaanse planoloog David Rusk en de Nederlandse hoogleraar en planoloog Dick Frieling in opdracht van de toenmalige minister van Grote steden en Integratiebeleid Rogier van Boxtel onderzoek naar de Nederlandse onderwijssituatie. Ze legden vergelijkbare steden als het Amerikaanse Portland en Rochester en het Nederlandse Nijmegen en Den Haag naast elkaar. Ze kwamen tot een schokkende conclusie: het Nederlandse basisonderwijs is méér gesegregeerd dan het openbare onderwijs in de VS. Wijken in Nederland met een gemengde bevolking hebben toch gesegregeerde scholen. Gemengde buurten hebben in de VS ook gemengde openbare scholen.

Sinds 2001 is de schoolsegregatie in Nederland alleen maar toegenomen. Uit recent onderzoek van onderwijssocioloog Paul Jungbluth blijkt dat die segregatie beide kanten uit gaat: er zijn meer scholen ontstaan met een meerderheid aan arme allochtone leerlingen en er zijn meer scholen met een meerderheid aan kinderen van hoogopgeleide, vaak blanke ouders. In steden als Rotterdam en Amsterdam is nu, anno 2008, de helft van de basisscholen ‘zwart’: meer dan 70 procent van de leerlingen is van niet-Nederlandse afkomst en hun ouders zijn vaak laagopgeleid. En het stopt niet bij de vier grote steden. In steden als Eindhoven, Nijmegen en Tilburg vindt de komende jaren de grootste groei van de onderwijssegregatie plaats.

Het voortgezet onderwijs is in de vier grote steden gesegregeerd op onderwijsniveau: leerlingen met allochtone laagopgeleide ouders gaan in groten getale naar het vmbo en de vaak blanke kinderen van hoogopgeleide ouders gaan naar havo en vwo. Slechts 5 procent van de achterstandsleerlingen van niet-Nederlandse afkomst gaat in Nederland naar de havo of het vwo.

In het afgelopen december gepresenteerde PISA-onderzoek van de OESO onder 15-jarigen blijkt Nederland qua concentratie van arme leerlingen in een school zeer slecht uit de bus te komen: het negatieve effect op de leerprestaties van kinderen die naar een VMBO-school gaan met veel achterstandsleerlingen is in Nederland een van de hoogste van alle 55 OESO-landen.

Hoezo vrije schoolkeuze?

Dwang van bovenaf bij schoolkeuze is in Nederland, waar de vrijheid van schoolkeuze van ouders als een recht wordt gezien, een taboe. Pogingen tot spreiden van leerlingen op basis van etnische afkomst lopen in Nederland, net als de VS, vast op de commissie gelijke behandeling. Volgens hoogleraar onderwijsrecht Dick Mentink van de Erasmus Universiteit Rotterdam is een op etnische criteria gebaseerd, dwingend spreidingsbeleid in strijd met nationale en internationale gelijkheidsnormen. Mentink: ‘Spreiding is wel mogelijk op basis van een inhoudelijk criterium zoals taalachterstand of betere integratie.’

Wat betreft de positie van de scholen wijst Mentink erop dat men in Nederland er ten onrechte van uit gaat dat er ouderlijk keuzerecht is. ‘Dat is een verkeerde interpretatie van het artikel 23 van de Grondwet. De beslissingsmacht tot toelating ligt bij de schoolbesturen. Zij mogen daarbij dus niet discrimineren, maar zij mogen wel leerlingen weigeren op organisatorische gronden (de school is vol), sociale (voorrang voor broers en zussen), administratieve (postcode) of op leerniveau van leerlingen (Cito-resultaten en taalachterstand). In de praktijk spelen postcodebeleid, loten en het voorrang geven aan leerlingen uit de eigen gemeente al een grote rol. Er is niets dat spreiding op basis van inkomen in de weg staat zolang dit beleid is vastgelegd en consistent uitgevoerd’, aldus Mentink

Het denken over wettelijke maatregelen tegen de onderwijssegregatie is in Nederland nog pril. Pas met ingang van het schooljaar 2006 is het tegengaan van de tweedeling in het onderwijs een zaak van gemeenten en schoolbesturen geworden. De onderwijsinspectie ziet toe op de uitvoering en is nu bezig een aantal experimenten op te zetten. Bij het in gebreke blijven van de schoolbesturen moet het ministerie van Onderwijs ingrijpen. Maar dat zal niet gemakkelijk zijn, omdat daarover wettelijks niets specifieks is geregeld. Het ministerie heeft niet meer zoveel te vertellen sinds de macht bij de schoolbesturen is gelegd.

Schoolbesturen hebben tot nu toe nog weinig of niets ondernomen om de segregatie in hun scholen tegen te gaan. Gemeenten proberen de schoolbesturen wel rond de tafel te krijgen, maar afspraken lopen vaak vast op het verschil tussen openbaar en bijzonder onderwijs en de vermeende keuzevrijheid van ouders. Toch zijn in diverse gemeenten wel restricties aan schoolkeuze gesteld. In Amsterdam geldt een postcodebeleid waarbij kinderen alleen naar een basisschool kunnen binnen het postcodegebied waar ze wonen.

Daarnaast hanteren scholen voor voortgezet onderwijs in diverse steden ook loting, inschrijving en andere selectiemethoden. Zo is in Amsterdam al vijf jaar de zogenoemde kernprocedure van kracht: ouders kunnen hun kind op slechts één school voor voortgezet onderwijs inschrijven. In Den Haag liggen ouders vroeg voor de deur van de populaire Daltonschool om een plaatsje voor hun kind te bemachtigen. In Haarlem voerden ouders dit jaar een kort geding tegen het plaatselijke categorale gymnasium omdat er geen plaats genoeg was en de toelatingsprocedure volgens de ouders onduidelijk was. Er is, zo lijkt het, een zogenaamde vrije markt van onderwijs ontstaan, waar de goed geïnformeerde middenklasseouder meestal aan het langste eind trekt en de kansarme ouder door het bos de bomen niet meer ziet.

Magneetscholen

Wake County in North Carolina heeft even veel leerlingen als de hele gemeente Amsterdam: 134.000. Het is daarmee een van de grootste schooldistricten van de VS. Zoals veel schooldistricten in het Zuiden van de Verenigde Staten heeft Wake County een lange geschiedenis met onderwijssegregatie. In de jaren zestig gingen de schoolbesturen van de hoofdstad Raleigh en de omringende suburbs samen en vormden Wake County. In Raleigh alleen waren namelijk te veel zwarte arme leerlingen, waardoor een raciaal zwart-blank evenwicht in de scholen niet mogelijk was. Met de toevoeging van de vaak blanke middenklasseleerlingen uit de suburbs was dat raciale evenwicht er wel. Zes jaar geleden stapte Wake County als eerste schooldistrict in de VS over op verdeling van leerlingen op basis van inkomen omdat raciaal evenwicht nog steeds arme scholen opleverde waardoor steeds meer middenklasseouders overstapten naar het privé-onderwijs.

Daarnaast voerde het schoolbestuur een zogenaamd magnetschool-systeem in. 32 van de 156 scholen in Wake County hebben een speciaal thema als kunst, Montessori of intellectueel uitdagend onderwijs, die leerlingen uit de middenklassen moeten trekken: magneet-scholen. De 32 magnetschools staan stuk voor stuk in de arme zwarte wijken van de hoofdstad Raleigh. En een arme zwarte buurt in de VS is echt wel even anders dan de ‘prachtwijken’ in Amsterdam-West of Rotterdam-Zuid. Maar het weerhoudt leerlingen uit de welvarende suburbs niet om iedere ochtend die bekende gele schoolbus te nemen en een rit van een uur te maken.

De wachtlijsten voor de magnetschools zijn lang: slechts 30 procent van de aanmeldingen krijgt een plek. Het levert in het geval van Enloe High, een magnetschool met een kunstthema midden in het getto van Raleigh, een levendige, van activiteiten bruisende school op. Uit lokalen klinkt muziek en gezang.

In een oefenruimte staan vier jongens a capella te zingen. Twee zwart, twee blank, en alle vier in het uniform van de moderne jongen: een afgezakte wijde broek en een hoodjack met grote capuchon. Op een teken van de lerares zetten ze ombeurten in en het levert een wonderschone samenzang op. Op de vraag aan directrice Beth Cochran van Enloe High, een lange vrouw met een kunstzinnige rode lok in het haar, wie de arme leerlingen zijn, komt het vinnige antwoord: ‘Doet dat er wat toe?’

Scholen in de VS zijn sinds de No Child Left Behind Act van president Bush van 2001 verplicht om alle leerprestaties bij te houden. Wake County had een traditie op dit gebied. Adjunct-directeur David Holzcomb: ‘We willen zien of we wel vooruitgaan en onderdelen verbeteren waar dat nodig is. We zijn nu ook zo ver dat leerkrachten onderling over hun prestaties praten en dat heeft grote gevolgen voor de prestaties van de leerlingen en dus de scholen.’

Volgens Holzcomb komt dat omdat leerkrachten in Wake County, nu alle scholen dezelfde samenstelling hebben, ook meer bereid zijn om aan onderzoek mee te werken. Ze kunnen zich niet meer verschuilen achter het argument dat scholen met alleen maar arme leerlingen niet kunnen worden vergeleken met scholen met een meerderheid aan niet-arme leerlingen.

Ouderparticipatie

Een groot verschil met Nederland is de betrokkenheid van Amerikaanse ouders bij het onderwijssysteem. Voor een deel ligt dat besloten in de organisatie van het Amerikaanse onderwijs. Schoolbesturen van het openbaar onderwijs worden iedere twee jaar met een lokale verkiezing gekozen. Maar er zijn ook de zogenoemde PTA’s: Parent Teacher Association. De PTA is een landelijke organisatie die lokale oudergroepen ondersteunt.

Maar ouders richten ook lokale verenigingen op. Zo is moeder Calla Wright oprichtster van de Coalition of Concerned Citizens for Afro-American Childeren (CCCAC), lerares op een van de scholen van Wake County en groot voorstander van het spreidingsbeleid. Wright heeft twee zoons op twee verschillende magnetschools in Raleigh. Wright: ‘Ik wil dat mijn twee zoons niet uitvallen en lager presteren zoals heel veel zwarte jongens in de VS. Mijn jongens hebben het beste onderwijs nodig dat er is en de magnetschools in Wake bieden dat.’

Wrights belangengroep bestaat al uit meer dan 200 actieve, zwarte ouders. CCCAC geeft voorlichting op scholen aan ouders hoe ze hun kinderen kunnen ondersteunen maar ook over het belang van de magnetschools en het desegregatiebeleid.

Virginia Parker is het tegendeel van Calla Wright. Met een parelketting, mantelpak, een kapsel waar geen haartje verkeerd staat en een zorgvuldig opgemaakt gezicht is ze overduidelijk afkomstig uit een chique witte suburb. De kinderen van Parker gaan naar een highschool in een van de suburbs.

Virginia Parker is werkzaam bij de Paragon Commercial Bank in Raleigh en lid van de Wake Education Partnership, een initiatief van het bedrijfsleven van Wake County waar directeuren van ziekenhuizen, universiteiten en banken aan deelnemen om het schoolsysteem te ondersteunen. In een met veel kunst behangen kantoor bezingt ze de voordelen van een rechtvaardig schoolsysteem: ‘Dit schoolsysteem zorgt voor jongeren die kunnen samenwerken met iedereen. Dat is een soft skill die het bedrijfsleven hard nodig heeft. In Raleigh zijn veel hightech- en dienstverlenende bedrijven die naar dit soort werknemers op zoek zijn. Ik denk dat we niet moeten onderschatten wat het belang van samenwerken en leren met mensen van alle soorten en maten is in deze snel globaliserende samenleving.’

Maar er is natuurlijk ook kritiek en tegenstand. Niemand, althans niet in het openbaar, trekt de verdeling op basis van inkomen in twijfel. Maar wel de overbevolkte scholen en de verdeling van leerlingen over de scholen in Wake County. Een jaar geleden spanden ouders een gerechtelijke procedure aan tegen het toewijzen van kinderen aan zogenaamde year round schools met een ander vakantierooster en een zomerprogramma. Het schoolbestuur verloor en kampt nu met overvolle scholen.

Leerlingen werven

Volgens onderzoeker Richard Kahlenberg van het Brookings Institute staat en valt het succes van de ‘kleurenblinde’ aanpak, leerlingtoewijzing op basis van oudersinkomen, met de bereidheid van de middenklasseouders en dat moeten schoolbestuurders goed in de gaten houden. Het schooldistrict Wake Country is volgens hem te groot geworden. ‘Ze moeten het in vieren delen, met de goede verhouding arme en middenklasseleerlingen. En schoolkeuze invoeren, zoals in Cambridge.’ Charles Willie: ‘De belangenverenigingen van ouders zijn partners met wie gepraat moet worden. Uit onderzoek blijkt dat de bestrijding van onderwijssegregatie pas stevig is wanneer schoolbestuurders en belangengroeperingen van ouders samenwerken.’

Directeur Carol Learned Miller van de Martin Luther Kingschool in Cambridge doet veel aan het werven van de leerlingen. In het najaar gaat Learned Miller persoonlijk langs de ouders van de kinderen in de buurt die op het punt staan vier te worden. ‘Zeker voor laagopgeleide ouders is het net dat duwtje dat ze nodig hebben. Ze voelen zich daardoor welkom. Maar ook hoogopgeleide ouders die over privé-onderwijs denken, kunnen net de extra motivatie krijgen die nodig is om bij ons te komen kijken. Wanneer zulke groepen eenmaal over de drempel zijn en zien hoe klein en divers de klassen zijn, worden ze enthousiast.’

Dit artikel is tot stand gekomen met een subsidie van het Fonds bijzondere journalistieke projecten.

Anja Vink is freelance onderwijsjournalist en had tot 2006 een onderwijs advies- en onderzoeksbureau. www.wcpss.net, www.cpsd.us, www.pta.org

Dana Lixenberg is fotograaf in New York