In het basisonderwijs heeft zich een ramp voltrokken. Veel kinderen lopen zo’n achterstand op dat die nauwelijks meer is in te halen.

Ouders erop moeten kunnen vertrouwen dat hun kinderen vanaf hun vierde voldoende toegerust worden om acht jaar later zonder moeite de stap naar het voortgezet onderwijs te maken.

In het basisonderwijs heeft zich een ramp voltrokken. Veel kinderen lopen zo’n achterstand op dat die nauwelijks meer is in te halen.

Was dertig jaar werkzaam in het basisonderwijs als adjunct-directeur en leerkracht van groep acht. Geeft lezingen over het basisonderwijs namens de vereniging Beter Onderwijs Nederland (BON).

De eerste prioriteit van een basisschool is het aanleren van basisvaardigheden. Gebeurt dat niet of onvoldoende, dan zijn voor het kind de rapen in het voortgezet onderwijs gaar: de achterstand valt niet meer in te halen. Anno 2008 is die achterstand eerder regel dan uitzondering. Daarom kun je nu niet anders dan met verbijstering kijken naar wat zich de afgelopen decennia in en rond het basisonderwijs heeft afgespeeld.

Er gebeurt meer op school. Sinds 1985 is het onderwijsaanbod op basisscholen steeds groter en breder geworden. Maar alles moet wel in dezelfde onderwijstijd worden gepropt. Daarnaast is ook het aantal maatschappelijke taken toegenomen, zoals de naschoolse opvang.

Voor de klas staan minder goede onderwijzers

De afgelopen decennia is de kwaliteit van de onderwijzers problematisch geworden. De Kweekschool werd pabo, maar beter is het er niet van geworden. Integendeel, ze wordt doorgaans bevolkt door slechte havisten en leerlingen met een mbo-opleiding, waar de vakken Nederlands en Geschiedenis in laag aanzien staan. Uit recent onderzoek is gebleken dat 60 procent van de pabo-studenten niet kan spellen en niet kan rekenen. Over de andere vakken wordt wijselijk niet gesproken. Van de studenten die afstuderen wil bijna niemand in de bovenbouw werken omdat ze zelf voelen dat ze daarvoor niet competent genoeg zijn.

In de jaren negentig zijn allerlei vernieuwingen geïntroduceerd met het argument dat zij de kwaliteit van het onderwijs zouden verbeteren: adaptief onderwijs, combinatieklassen, de toetsgekte, onderwijsbegeleiders, logboeken. Het zijn illusies gebleken. Tot de dag van vandaag wordt het belangrijkste over het hoofd gezien: de kwaliteit van het onderwijs zit hem niet in een systeem, maar in de eerste plaats in de kwaliteit van de mensen die het vak moeten uitoefenen. Van een timmerman wordt verwacht dat hij over goed gereedschap beschikt, voor een leerkracht is dat blijkbaar niet nodig – en dat terwijl de maatschappij steeds ingewikkelder in elkaar steekt. Dat het nu nog goed gaat op veel basisscholen is te danken aan de vele oudere enthousiaste docenten die zich weinig van al die veranderingen hebben aangetrokken.

Probleemkinderen worden niet goed opgevangen

Een tweede kernprobleem in het basisonderwijs is het project ‘Weer samen naar School’ dat in 1995 is ingevoerd en volledig is mislukt. Met dit project wilde toenmalig staatssecretaris van Onderwijs Wallage (PvdA) het speciaal onderwijs terugdringen.

Ook dit bleek een illusie. Er zijn steeds meer kinderen met leerproblemen, gedragsproblemen, ADHD kinderen, dyslectische kinderen – de rij is lang. Deze kinderen kunnen niet binnen het reguliere onderwijs opgevangen worden. Men heeft er de specifieke kennis, de ruimte en het geld niet voor.

De vorige minister van Onderwijs, Maria van der Hoeven (CDA), legde bij scholen de plicht om voor iedere leerling te zorgen. Pas in het uiterste geval mogen leerlingen met een ‘rugzakje’ naar een speciale school worden verwezen. Maar vóór zo’n kind doorverwezen wordt, ben je zomaar drie jaar verder, omdat zo’n kind voor een indicatiecommissie moet verschijnen, er moeten rapporten over dat kind geschreven worden, er moeten handelingsplannen gemaakt worden – iedereen moet er aan te pas komen en intussen zit de leerkracht met een levensgroot probleem. Hij komt aan gewoon lesgeven niet meer toe.

Het fundament voor zelfstandig werken ontbreekt

Een derde misstand is het adaptief onderwijs. Leerlingen moeten zo vroeg mogelijk zelfstandig leren werken en leren samenwerken. Op zich een mooi streven, maar om dat effectief te kunnen doen moet je wel eerst het fundament leggen. Klassikaal werken blijkt in de praktijk beter te werken: wie extra instructie nodig heeft, komt voor of na de klassikale instructie aan tafel bij de juf of meester. Door de onderwijsgekte van de laatste jaren en het gebrek aan bagage zijn veel jonge leerkrachten de weg kwijtgeraakt en klampen ze zich vast vast aan toetsen en testen. Vaak kijken ze alleen die toetsen na en laten ze de leerlingen elkaars werk nakijken. Op veel scholen staan op rapporten geen cijfers meer, maar een a,b,c,d of een e. Je kunt er alle kanten mee op, veel wijzer word je er als ouder niet van.

De lat ligt te laag

Een vierde boosdoener is het Nieuwe Leren dat op veel pabo’s inmiddels geruisloos is ingevoerd. De gedachte erachter is: wat erin zit, komt ervan zelf wel uit. De leerlingen moeten zelf invulling geven aan hun leerproces, zelf kennis verzamelen en toepassen. Klassikaal onderwijs en de rode pen zijn taboe verklaard: niets werkt immers zo demotiverend als veel rode strepen in een dictee.

In pedagogische kring is het een tamelijk wijd verbreid inzicht dat kinderen niet te veel teleurgesteld moeten worden. Dat is slecht voor de kinderziel. Docenten mogen niet te laag cijferen en moeten voortdurend de norm aanpassen. Wat een onzin. Onderwijs is er om je horizon te verbreden. Je mag best tegen een kind zeggen: leer het nou maar. Later zal je merken dat je er profijt van hebt. Je woordenschat vergroot je niet door te internetten, te chatten, msn’en en het in je opnemen van ondertitels van films op tv. Je woordenschat wordt beter als je oefent. Maar dat oefenen gebeurt niet in het basisonderwijs. Niet in de laatste plaats omdat degenen die voor de klas staan en geacht worden onze kinderen klaar te stomen voor het voortgezet onderwijs zélf niet competent zijn.

Het zal duidelijk zijn wie de slachtoffers zijn van slecht onderwijs: álle leerlingen, maar vooral de kwetsbare en allochtone leerlingen. De losse en ongestructureerde aanpak werkt voor hen niet. Zij zijn gebaat bij sturing, bij een juf of meester die helpt met ontleden, met rekenen.

Intussen wil geen enkele goed opgeleide jongere die wat in zijn mars heeft werken in het onderwijs. En intussen bestaat het personeel van basisscholen voornamelijk uit vrouwen die het liefst in deeltijd werken. Nog zoiets: tegenwoordig studeren er veel meer onderwijskundigen en pedagogen af dan vakleerkrachten. Al die mensen moeten een baan hebben in instellingen die zich rond het onderwijs slingeren. Deze sector heeft belang bij veranderingen.

Vroeger werd over iedere stelselwijziging in de Tweede Kamer gedebatteerd. Toenmalig Onderwijsminister Van der Hoeven heeft de scholen autonomie gegeven. Schoolbesturen mogen tegenwoordig hun geld naar beste inzichten besteden – daarbij geassisteerd door een leger (onderwijs)kundigen. Dat weer een leger incompetente leerkrachten aflevert met dank aan, onder andere, het Nieuwe Leren.

Het is de hoogste tijd dat onderwijs weer inhoudelijk op de politieke agenda wordt gezet. En ouders en leerkrachten die het anders willen, moeten samen een vuist maken. Het mag niet zo zijn dat kinderen de dupe blijven van falend onderwijs.

We hoeven niet terug naar De gelukkige klas van Theo Thijssen. De samenleving is veranderd, stelt andere eisen. Maar dat laat onverlet dat ouders erop moeten kunnen vertrouwen dat hun kinderen vanaf hun vierde voldoende toegerust worden om acht jaar later zonder moeite de stap naar het voortgezet onderwijs te maken.

Negen aanbevelingen

1. Zorg ervoor dat voor de aspirant-onderwijzer het verwerven van kennis en vaardigheden centraal staat, niet de didactiek of de pedagogiek. Het laatste is niet onbelangrijk, maar is uiteindelijk alleen maar de vorm, terwijl kennis en vaardigheden de inhoud van het onderwijs zijn. Vorm zonder inhoud is niets, levert slechte leerkrachten op en ineffectieve scholen.

2. Schaf het Nieuwe leren op de Pabo’s af.

3. Beschouw klassikaal onderwijs niet als ouderwets. Breng leerlingen met ongeveer gelijke potenties bij elkaar en stel dan aan alle leerlingen op hetzelfde moment dezelfde eisen. Er is natuurlijk voortdurend aandacht voor de individuele leerling, waar nodig of wenselijk binnen de structuur van een gemeenschappelijk programma.

4. Vang kinderen met leermoeilijkheden in speciale scholen op. Doorverwijzing naar het speciaal onderwijs moet veel sneller gaan.

5. Verbeter de onderwijsopleidingen, ook die voor het speciaal onderwijs. Zorg in de tussentijd voor bijspijkercursussen taal en rekenen op de basisscholen zelf en verbeter de begeleiding van pas beginnende leerkrachten. Breng weer een scheiding aan in de opleiding voor het lesgeven in groep 1 tot en met 4 en groep 5 tot en met 8.

6. Zorg ervoor dat de 7 R’s terugkeren in de school: Rust, Reinheid, Regelmaat, Richting, Ruimte, Resultaat en Rekenschap.

7. De directie van de school moet zelf een visie over goed onderwijs hebben, zodat de professionaliteit daar waar dat nodig is terugkomt.

8. Stelt veel en veel meer geld beschikbaar voor het basisonderwijs, vooral ook voor vakinhoudelijke bijscholing.

9. Sinds de lump sum zijn intrede heeft gedaan, bepalen schoolbesturen zelf waaraan het geld besteed wordt. Leg van te voren goed vast waar dat geld naar toe gaat, zodat dat voor iedereen duidelijk en overzichtelijk is. Geef het onderwijs terug aan de schooldirecteur en zijn team en laat hen beslissen welke vorm van onderwijs op hun school het beste is.

Gebeurt er de komende jaren niets, zet men steeds meer onbevoegden voor de groep en wordt stug doorgegaan met het Nieuwe Leren, dan is de ramp in het basisonderwijs een feit.

Het gevolg zal een tweedeling in de samenleving zijn. Steeds meer ouders zullen goed onderwijs gaan inkopen voor hun kind. Dat is ongewenst, aangezien elk kind recht heeft op goed onderwijs.