‘Ik blader, ik snuffel, ik ruik’

Leon de Winter (54) presenteerde deze week zijn roman Het recht op terugkeer. Hij woont in Bloemendaal met Jessica Durlacher en hun kinderen Moos en Moon.

‘We zien grote posters op de Amsterdamse ‘peperbussen’ met de cover van mijn boek erop’ Foto Leo van Velzen Bloemendaal, 05-06-08. Leon de Winter, schrijver. Foto leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Donderdag 29 mei

Om zeven uur op. Jessica, mijn echtgenote, begint aan haar gymnastiekoefeningen en ik ga naar beneden om het ontbijt voor de kinderen neer te zetten en hun lunchboxen te vullen. Het is een vast patroon dat we hebben ontwikkeld, en waarom ik naar beneden ga en Jessica wat langer boven blijft, ontbeert logica: het is zo, en omdat het zo is, is het goed.

Radio 1 staat aan en de kinderen eten loom hun ontbijt. Rond tien over half acht verschijnt Jessica, en zij maakt thee, want dat doet zij altijd. Moos (12) fietst om één voor acht met een gigantische rugzak met boeken naar het gym in Velsen-Zuid. Het is vreemd dat in onze digitale tijd kinderen boeken moeten vervoeren. Moon (10) zit nog op de basisschool, en haar rug en haar fietstassen blijven onbelast, op haar tasje met de lunch na.

Als de kinderen weg zijn, lezen we de ochtendkranten, Jessica met cappuccino, ik met thee. Zo beginnen onze dagen, met dierbare rituelen.

Vrijdag

De hele dag bellen, bellen, bellen, tot Francien Schuursma, de publiciteitschef van de Bezige Bij en een van de motoren van het grote succes van de uitgeverij, me vertelt dat zij een koerier gestuurd heeft met de eerste exemplaren.

Om half vier is het zo ver. Ik schuur de envelop open en mag het boek aanraken waaraan ik in 2004 begonnen was en pas in dit jaar kon afronden omdat ik in de tussenliggende jaren zo nodig de columnist, commentator en essayist moest uithangen. Ik blader, ik snuffel, ik strijk over het papier, ik ruik. Het is er, en het is goed zo.

Op woensdag de 4de gaat het boek de wereld in. Het moet op eigen benen staan, op eigen kracht in de wereld zien te overleven.

Zaterdag

Het hockeyseizoen is afgelopen en de kinderen hoeven niet vroeg op een veld te verschijnen, dus Jessica en ik blijven liggen terwijl de kinderen beneden de televisie laten blèren. Moos heeft het ontbijt neergezet, een verrassing die alles te maken heeft met de ruzie die we gisteravond hadden: hij wilde de DVD van American Gangster, die ik een paar weken geleden gekocht heb, bij een vriendje gaan bekijken, en ik was daar tegen. Hij reageerde op mijn terechtwijzing, hoe zal ik het zeggen, met puberale bevlogenheid.

Bij ons leeft ook Senta, een kruising tussen een Golden Retriever en een Tibetaanse Mastiff. Toen zij ruim twee jaar geleden bij ons als puppie kwam, beloofden de kinderen dat zij elke dag de hond zouden uitlaten. Het liep een beetje anders: ik ga elke dag met Senta op stap. Dat is niet slecht aangezien mijn jaren als columnist/commentator/essayist tot vervetting hebben geleid.

Ik ben geen dierenpartijfreak, maar ik erken dat zoogdieren over emotionele intelligentie beschikken – althans, onze Senta is voor mij herkenbaarder dan de meeste figuren die ik op tv langs zie komen.

De supermarkt om de hoek is tot acht uur ’s avonds open, en op zaterdag na zessen inkopen kunnen doen is een verrijking van het leven in de lage landen. Een Nederlandse supermarkt is niet te vergelijken met een Amerikaanse, maar toch vind ik het aangenaam om met een karretje tussen de schappen van onze buurtsuper te laveren.

Zondag

Vandaag moet Jessica zo nodig de Letterenloop doen, een wedstrijd voor langeafstandslopers bij ons in de buurt. Zij is een fanatieke renner en is daarom ook slank en lenig. Ik heb haar, toen ik de laatste keer uit Santa Monica kwam, een nieuw gadget van Apple gegeven dat op haar iPod past: een elektronisch dingetje dat aan haar schoen vastzit en haar iPod, die in een zakje om haar bovenarm steekt, laat weten hoe snel en hoe ver zij rent, en dat schijnt grote bevrediging te schenken. Moon en ik brengen haar weg en blijven wachten tot zij grommend de tien kilometer voltooit, in de kop van dertienhonderd deelnemers. Maar toch is zij langzamer dan wanneer zij alleen rent, zegt ze boos, ook al wordt zij op het podium gehuldigd als de ‘snelste schrijfster’ van het land. Een interviewer van een radiostation vraagt mij of ik ook aan sport doe, en ik antwoord dat dat zo is: ik sta altijd aan de zijlijn te kijken.

Moontje gaat vandaag mee bij Senta’s uitje en als we thuiskomen, is Moos eindelijk bereid een ‘sorry’ te laten klinken ter beëindiging van de vete die sinds vrijdagavond stil tussen ons heeft liggen sudderen. We maken het goed.

’s Avonds eten we bij La Capannina, de Italiaan in ons dorp die wordt gerund door een Griek die meer van moderne literatuur weet dan hele redacties van boekenbijlagen bij elkaar en bij ons aan tafel de nieuwe McEwan of Roth bespreekt voordat ik er überhaupt van gehoord heb.

Om half negen zwieren we allevier op onze fietsen door het dorp terug naar huis, de kinderen met één hand aan het stuur en in de andere hand een ijsje. Het is een mooie, zachte avond, een van de vele gezegende zondagen in de geschiedenis van ons land.

Daarna blader ik wat door mijn boek, lees passages, vraag me af wat het nou eigenlijk is geworden, ook al is zoveel afstand na al die jaren onmogelijk. Hoe zullen lezers reageren? Ik weet het niet, maar ik weet wel dat het een feest was om het te mogen schrijven.

Maandag

’s Ochtends met Jessica naar een huis in Haarlem. We bewonen een onvoorstelbaar mooi huis in een schitterend monocultureel dorp, maar we overwegen om ‘kleiner’ te gaan wonen, in de stad, om de kinderen te laten wennen aan verscheidenheid, drukte en chaos. Het grachtenhuisje dat we bekijken is te klein voor ons soort klein, maar het heeft een mooie stadstuin.

Thuis hannes ik uren met het invullen van de DS-156 formulieren, die je moet downloaden van de site van het Amerikaanse consulaat wanneer je een visum-aanvraag doet, en die doe ik: we willen deze zomer voor minstens een jaar naar onze tweede vaderstad Los Angeles, want het worden intrigerende tijden daar in de States waarover voor Elsevier veel te schrijven zal zijn.

Voordat we naar bed gaan, hangen we slingers op: onze Moon wordt morgen elf.

Dinsdag

Moon straalt, zij heeft het vermogen om zielsgelukkig te zijn en zich onvoorwaardelijk aan haar gevoel over te geven. Om zeven uur pakt zij bij ons op bed haar kado’s uit, en elk pakje brengt haar in verrukking. Jessica brengt haar naar school want Moon moet uitdelen.

Boodschappen doen voor de gasten straks, familie en vriendinnen van Moon die na vieren komen, en Jes maakt nog even tussendoor twee taarten, alsof het geen moeite kost.

Vandaag is het Moon-dag, onze creatieve bom die schrijft en tekent met een gemak waarop wij jaloers zijn. In 2024, het jaar waarin een groot deel van mijn boek speelt, wordt Moon 27 – en ik 70. Bespottelijke gedachte.

Woensdag

We rijden de stad in en zien grote posters op de Amsterdamse ‘peperbussen’ met de cover van mijn boek erop. We joelen telkens als we ze zien. Ja, het boek bestaat echt.

In de prachtige Amstelkerk op het Amstelveld wordt mijn boek ten doop gehouden. Ik ben niet gek op boekpresentaties, maar deze keer heb ik het laten gebeuren en Francien heeft uitgepakt: een prachtige Klezmerband, hapjes, drankjes, en ik ben vereerd dat hoogwaardigheidsbekleders als Harry Mulisch en Jan Siebelink, schrijvers die ik bewonder, de moeite hebben genomen om te komen. Robbert Ammerlaan en Bram Moszkowicz hebben lieve woorden gevonden die me verlegen maken. Zoveel lichte vreugde bij het verschijnen van een boek met zoveel donkere delen. Het boek speelt in het Israël van de toekomst, een land dat langzaam stervende is, en mijn hoofdpersoon is een man die rouwt en geen toekomst heeft – tot er iets gebeurt dat ik in dit dagboek niet verklap.

Maar de lucht in de Amstelkerk tintelt en ik zie mensen terug die ik al lang niet meer heb omhelsd, zoals Ton van de Nieuwenhuyzen, de vakman met wie ik zoveel scripts heb geschreven, en Hanni Ehlers, mijn briljante Duitse vertaalster, en mijn lieve broer Max, die oogt als een Hells Angel en op de motor uit Den Bosch is gekomen. Ik richt me tot heel veel mensen maar heb niet de tijd om langer te praten, signeer het ene boek na het andere, en ben om half negen bekaf.

Met collega Kees van Beijnum en zijn gezin, die bij ons in het dorp wonen, eten we onderweg met onze kinderen snel een gerecht bij café-restaurant Amsterdam, een van mijn favoriete plekken in het land.

Nu begint het wachten op de lezer.

Donderdag 5 juni

Om kwart over negen zijn we met de kinderen bij het Amerikaanse consulaat in Amsterdam. We kennen de strenge Amerikaanse bureaucratie, Jessica en ik zijn ooit in New York getrouwd, dus ik ben een beetje gespannen, onderzoek of ik de papieren correct heb ingevuld en hoop dat de pasfoto’s die we hebben laten maken aan de regels voldoen. Aan het loket blijkt dat we ons huwelijksboekje niet bij ons hebben, maar gelukkig hebben ze nog de gegevens van onze vorige visumaanvraag, voor een verblijf in Berkeley, en na een half uur wachten vertelt de consul ons dat alles in orde is en dat we de paspoorten met de visa binnen een paar dagen thuis hebben. We gaan echt weg, nu. We hebben tickets, we hebben visa, er wacht een avontuur op ons.

Thuis blader ik weer door mijn boek. Nog geen zetfout gevonden, maar ze zullen wel opduiken. Ik heb gegeven wat ik had – dat is het criterium, geloof ik. Wanneer je een boek schrijft, moet je alles inzetten, je geloof en ongeloof, je twijfels en zekerheden, je angsten en dromen. Zoals je je vrouw en je kinderen geen liefde mag onthouden, zo heb ik ook met Bram Mannheim, mijn hoofdpersoon, geleefd. Hij is nu voor altijd de wereld ingestuurd. Ik mis hem.