Ik ben geen christenfundamentalist en wil niet dat we moral strangers worden

Je op de Bijbel beroepen betekent nog niet in een soort Befehl-ist-Befehl ethiek alles daaruit letterlijk overnemen. Laat ruimte voor een pluraliteit van opvattingen, en zeg niet bij voorbaat dat er niet te praten valt met mensen met wie je het niet eens bent.

Foto NRC Handelsblad / Vincent Mentzel De opengeslagen BIJBEL op de kansel van 35 jaar oude Morgensterkerk te Dordrecht. foto VINCENT MENTZEL/NRCH==F/C==Dordrecht, 23 juni 2007 Mentzel, Vincent
Roel Kuiper

Bijzonder hoogleraar Reformatorische Wijsbegeerte aan de Erasmus Universiteit te Rotterdam. Lid van de Eerste Kamer voor de ChristenUnie.

Dit was de week van het embryodebat en van een bijna onvermijdelijk ethisch onbegrip. Onbegrip over de rol en betekenis van een christelijk gemotiveerde ethiek in hedendaagse politieke discussies. Onbegrip over het feit dat zo’n ethiek überhaupt in het spel wordt gebracht tegenover de mogelijkheid erfelijke kanker en daarmee veel leed te voorkomen. Onbegrip over een kleine partij die een denkpauze wil op dit punt, terwijl er een parlementaire meerderheid lijkt te zijn voor verruiming van de mogelijkheden tot embryoselectie. Dat deze denkpauze benut zou moeten worden ons nog eens te bezinnen op een buitengewoon ingrijpende vraag die onze beschaving als zodanig raakt, verdwijnt achter de stofwolken van dit onbegrip.

Hartstochtelijke voorstanders van embryoselectie hebben deze week zware woorden in de mond genomen. Het zijn de ‘christenfundamentalisten’ die dit doen, zo meent dr. Evers van het Maastrichtse ziekenhuis. Wat heeft een partij als de ChristenUnie die dergelijke opvattingen in omloop brengt, eigenlijk in een kabinet te zoeken? Volgens Elsbeth Etty betekent het feit dat de ChristenUnie zich op de Bijbel beroept dat er met hen niet te praten valt. Haar onbegrip is een onbegrip voor het soort argumenten dat gelovige mensen hanteren in de politiek, een onbegrip voor opvattingen waar zij als representant van een zelfbenoemde elite al lang mee afgerekend meent te hebben. Gaat het er dan om bepaalde opvattingen, zelfs al gaan ze over de meest fundamentele vragen, buiten de orde te verklaren?

Ik ben geen christenfundamentalist en wil me dat verwijt niet laten maken. Ik ben verontwaardigd over de gemakkelijke beelden die worden opgeroepen over hardvochtige christenen die een soort ‘Befehl ist Befehl’-ethiek hanteren, omdat ze zich op de Bijbel beroepen. Christenen die de Bijbel gezag toekennen hebben sinds eeuwen dit land bevolkt en zouden zich nu als christenfundamentalist buiten de orde moeten laten verklaren? Waarom zou de discussie over de grenzen van het technisch-instrumentalisme, dat op alle plaatsen in de wereld en in de wetenschap wordt gevoerd, moeten worden versmald tot een gekibbel over vormen van fundamentalisme? Zijn we dan binnen onze kleine samenleving ‘moral strangers’ voor elkaar geworden, niet meer in staat tot een wezenlijke dialoog?

Ik wil de inbreng voor die dialoog leveren. Ik wil laten zien waarom de opvattingen die aanleiding geven tot de opstelling van de ChristenUnie vanuit een moreel perspectief terecht hoog op de agenda moeten staan. Niet alleen christenen beschouwen de experimentele genetische wetenschap als een riskante instrumentalisering van het leven, ook binnen de filosofie en de ethiek bestaan verwante cultuurkritische denkpatronen. Daar wil ik kort iets van laten zien om vervolgens de positie te schetsen die ik zelf zou betrekken en naar mijn overtuiging vele christenen met mij. Aan het slot van mijn betoog kom ik terug op de relatie tussen levensbeschouwing en democratie.

Het is de filosoof Martin Heidegger (1889-1976) geweest die in zijn werk techniek als onderdeel van een moderne levenshouding heeft geproblematiseerd. Techniek als instrument in handen van mensen schept niet alleen een afstand tot de natuur, maar reduceert die natuur tot een object, een ding onder de dingen. De vertechniseerde verhouding tot de wereld, ontdoet die wereld van de waarde die ze in zichzelf heeft en maakt het tot een ‘bestand’ dat tot onze beschikking staat. Zo eigent de mens zich via de wetenschap een wereld toe, die zich oorspronkelijk als een geschenk of als een ‘tegenover’ aandient. De techniek eist de wereld op en geeft het een nieuw bestaan. Heidegger is beslist niet de enige die deze analyse maakte. De joodse filosoof Martin Buber (1878-1965) sprak al eerder over het reduceren van wat zich in de wereld aandient tot een object. We verhouden ons er niet meer toe als tot een Jij, maar als tot een Het. Een Jij representeert nog iets dat anders is, een Het kan worden geïdentificeerd als iets dat van dezelfde orde is: object onder de objecten, instrument onder de instrumenten. Voor Buber moest dit leiden tot vervreemding van de mens van zichzelf en van de natuur. Dat in de voortschrijdende mogelijkheden van de techniek een serieus probleem voor de mens schuilt, is op vele manieren binnen de filosofie en de ethiek aan de orde gesteld. Günther Anders bespreekt het probleem dat de mens door de vooruitgang van de techniek een tweederangs machine dreigt te worden: achterhaald door zijn eigen technisch kunnen. Wij zijn de zwakste schakels geworden in een technologisch universum. Dit roept de neiging op tot verbetering en aanpassing aan de rationaliteit van het instrumentarium. Met Buber is Anders echter van mening dat de mens uiteindelijk dient te beseffen dat hij niet ‘gemaakt’ is, maar ‘geworden’.

De eigen plaats van de mens, de betekenis die aan het mens-zijn wordt gegeven in een wereld van technisch kunnen, is de kern geworden van de problematiek van de moderniteit. Misschien maakt dat de discussie in Nederland zo heftig. Wie is die mens, representeert hij/zij een boven de techniek uitstijgende waarde? Zijn we onszelf kwijtgeraakt in een wereld van instrumenten en apparaten die ons dicteren wat onze ethiek behoort te zijn in plaats van andersom? Bestaat er nog een ethiek die ons zou dienen te binden aan universele inzichten? Of dienen we te vertrouwen op de uitkomsten van wetenschap en techniek als uitkomsten die ook moreel het beste zijn? Maar hoe kunnen we dat vertrouwen hebben als we in de geschiedenis omzien en opmerken welke vormen van geweld en ontwrichting het resultaat zijn geworden van ongebreidelde toepassing van wetenschap en techniek?

Het is onontkoombaar te midden van deze vragen een positie te betrekken. De mogelijkheden die de moderne genetica openen, moeten worden gewogen. In Duitsland heeft een groot debat gewoed over het boek van de filosoof Peter Sloterdijk, Regels voor het mensenpark. De mens van de toekomst, zegt Sloterdijk, zal een gemanipuleerd mens zijn, een door de techniek gemaakte mens. De natuurlijke selectie wordt vervangen door kunstmatige selectie. We staan aan het begin van wat hij de ‘antropotechnologie’ noemde. In de kern van de moderne mentaliteit sluimeren de utopische voorstellingen over wat wetenschap en techniek vermogen in het domein van de mens. Ze ondersteunen een utilistische ethiek die iets geoorloofd acht als het (binnen het raamwerk van het redelijk voorstellingsvermogen) nut oplevert.

Hoe wordt binnen het christelijk denken positie betrokken in dit debat? Laat ik proberen de basisassumpties te schetsen die op een of andere manier in dit denken tot uitdrukking worden gebracht.

1. De wereld is als schepping een ‘datum’ en geen toevallig ‘feit’. De wereld is gegeven; de orde en het mysterie van die wereld confronteren de mens met het besef dat niet hij de schepper is van alles wat bestaat, maar dat hij die wereld heeft ontvangen. Dat besef geeft een specifieke ervaring van de dingen. Wie de wereld als wonder blijft zien – de wonder van het geschenk – zal haar niet in een zelfbetrokken utilistische houding kunnen exploiteren.

2. De verhouding tot de natuur dient er een te zijn van respect voor wat in de schepping gegeven is. De mens exploiteert niet, maar antwoordt. Dat antwoorden is bij uitstek de houding die past in de relatie tot God en medemensen. Antwoorden betekent de erkenning van het gezag van de ander. Voor christenen betekent dit de erkenning van het gezag van God, die op vele manieren spreekt. Hier ligt de bron van de morele verantwoording van het handelen.

3. Onder christenen bestaat een diepe scepsis met betrekking tot de utopische projecten van de moderniteit. Wetenschap en techniek zijn scheppingsgaven, maar kunnen ontsporen als ze worden losgemaakt van morele kaders. Veel christenen hebben de kritiek van de postmodernen herkend als hun kritiek op de pretenties van de moderniteit. Zij hebben een onoverkomelijk hybris om voor God te spelen.

4. Het komt er op aan in welk perspectief wetenschap en techniek worden ingezet. Een door de techniek herschapen wereld is geen perspectief. Daarin gaat het besef van de zin van het bestaan verloren. Hiertegenover staat het perspectief waarin ieder mens wordt geaccepteerd als een gewild en bedoeld persoon.

Stromingen binnen de joodse en christelijke filosofie verwoorden ieder op een eigen manier deze basisassumpties. Ze leiden tot een ethische positie die we ‘verantwoordingsethiek’ kunnen noemen. Het is een verantwoording tegenover een bestaan dat geschonken is en een God die leeft en zich over het leven ontfermd. Deze verantwoordingsethiek staat tegenover de modernistische vormen van ethiek: het utilitarisme en de plichtethiek.

In de kritiek op het vermeende ‘christenfundamentalisme’, zoals tot nu toe in de media verwoord, wordt het bestaan van deze ‘verantwoordingsethiek’ blijkbaar niet gekend. De opstelling van de ChristenUnie wordt geïnterpreteerd als een vorm van ‘plichtethiek’. De geboden en verboden van de Bijbel lijken daar het hart van te zijn. Voor een christen die de Bijbel aanvaardt is er dan nog slechts de plicht om te gehoorzamen. Christenen die zich in de politiek op de Bijbel beroepen zijn eigenlijk geen gesprekspartners, want ze weten al wat ze moeten doen. En wat zij als hun plicht beschouwen, willen ze ook ‘opleggen’ aan anderen. Dat is een lelijk beeld, dat geen recht doet aan het optreden van christen-politici in de Nederlandse politieke arena.

De ChristenUnie staat in een lange traditie als het gaat om het gebruik van de Bijbel om te komen tot een politieke opstelling. Groen van Prinsterer (1801-1876) gaf al aan ‘Evangeliebelijder’ te willen zijn in de politiek. Wie zijn parlementaire bijdragen leest, kan zien dat hij zich zelden expliciet op teksten uit de Bijbel beriep. Ook latere antirevolutionairen, christelijk-historischen en vandaag de christen-democraten en ChristenUnie-vertegenwoordigers zijn niet voortdurend bezig met het tonen van bijbelteksten die tot een bepaalde publieke verplichting zouden moeten leiden. Christen-politici proberen een politieke overtuiging tot uitdrukking te brengen, die zij baseren op de Bijbel en de kernovertuigingen die daarin tot uitdrukking komen. Dat zijn ook morele kernovertuigingen.

De vraag doet zich voor wat de zeggingskracht is van een religieus geschrift dat enkele millennia geleden tot stand kwam. Het antwoord hierop is dat de Bijbel universele noties bevat, noties over de mens, God, de ethiek, vergeving en verzoening, die van alle tijden zijn. De Bijbel drukt een boodschap uit, een ethiek, een antropologie, een visie op de plaats van de mens in de geschiedenis. Deze universele noties zijn duidelijk, ze laten zich samenlezen uit het geheel van de Schrift, ze wijzen de weg naar het ‘goede leven’ en zijn maatschappelijk en politiek vruchtbaar. Deze universele noties passen bij de wereld als ‘schepping’. Zij doen naar de overtuiging van christenen recht aan de wereld en de mens. Zij lossen niet al het leed op, maar plaatsen het wel in een perspectief. Het is juist het modernistische denken, sterk leunend op de instrumentele benadering van de techniek, die de wereld onrecht doet, haar verscheurt en in een diepe crisis brengt.

In het geval van de medisch-ethische discussie over embryo-selectie komen we bij een kruispunt van kernovertuigingen. De mens komt in de positie van iemand die beschikt over de kwaliteit van de menselijke vrucht. Deze ontwikkeling zal hier niet stoppen, maar het begin zijn van een kunstmatig voortgebracht leven. Deze ontwikkeling zal een samenleving opleveren, waarin niet ieder bestaan dezelfde waarde heeft, maar waarin selectie in alle opzichten de toon gaat zetten. Selectie en waardebepaling van menselijk leven gaat zich ook institutionaliseren in de arrangementen van de samenleving, de zorg, de economie. Wie selecteert aan het begin, zal dit ook later kunnen doen. We gaan dan naar een samenleving waarin niets ons meer hindert het leven te manipuleren zoals wij dat willen. We zijn dan aangekomen in het ‘mensenpark’.

Ik ben geen christenfundamentalist, ik laat zien hoe ik bijbelse gegevens meeweeg in het dragen van verantwoordelijkheid voor de wereld. Ik meen dat ze in het belang zijn, ook van anderen. Ik meen ook dat deze geluiden in de publieke ruimte moeten klinken en hoop op een grondig ethisch debat, waarin deze noties worden gehoord en tot een dialoog leiden.

Wat zegt het onbegrip van deze week over ons democratisch bestel? Ik beschouw democratie niet louter als een manier om via meerderheden tot machtsvorming te komen. Democratie is er om een pluraliteit aan opvattingen tot uitdrukking te brengen. Aan de democratie ligt de idee ten grondslag dat het de kwaliteit van de besluitvorming ten goede komt als er verscheidenheid van opvatting is. Die verscheidenheid moet tot klinken worden gebracht. Alleen wie overtuigd is van eigen gelijk zal hier geen behoefte aan hebben. Wordt democratie louter als middel tot machtsvorming, dan kan zij ook gaan functioneren om opvattingen van anderen uit te schakelen. Dat is de ‘knock-out-democratie’, die erop gericht is stemmen tot zwijgen te brengen. Wanneer democratie verwordt tot een instrument van een zelfbenoemde elite om politieke opvattingen te disciplineren, wordt het onmogelijk een open dialoog te voeren in de samenleving. Een dergelijke disciplinering is kenmerkend voor een samenleving waarin alleen nog maar gevochten wordt om posities en belangen. Als we het debat over embryo-selectie inderdaad niet willen politiseren, moet er ruimte zijn voor een echte ethische dialoog.

Zie ook Chavannes en Brieven op de volgende pagina, Het Debat op pagina 21, en in Zaterdag &cetera het interview met CU-fractieleider Arie Slob.

Eerdere artikelen over dit onderwerp zijn na te lezen via nrc.nl/embryoselectie