Het is huilen voor de klas

Pabo-stagiairs kunnen niet alleen niet spellen en rekenen – hun motivatie zou ook beroerd zijn. Jacqueline Kuijpers

illustratie milo Milo

Het hangt achterin je klas en het knipoogt. Antwoord: de pabo-stagiair. Juf Marleen heeft het werkelijk zo meegemaakt. Een knul van nog geen twintig die haar na afloop van de les een vette knipoog gaf met de opmerking ‘goed gedaan’. Met de stagiair in kwestie is het niet goed afgelopen. Hij kreeg een negatief advies en moest zijn stageplek voortijdig verlaten.

Zo heeft Marleen meer ervaringen. Stagiairs die hun lessen niet hebben voorbereid. Die als leervraag formuleren: ‘Zijn de kinderen in staat om de opdrachten te maken zonder een lulverhaal op te schrijven?’ Die tijdens het kerstdiner in de klas vooraan staan met hun bordje, in plaats van de leerlingen te helpen. Die om half vier met hun jas aan klaarstaan om te vertrekken. Huilende stagiairs, die na de les uren getroost en bemoedigd willen worden.

Er is de afgelopen tijd veel geklaagd over het reken- en taalniveau van pabo-studenten. Maar ten minste even belangrijk is de houding van studenten op de werkvloer: hun motivatie, inzet, interesse in leerlingen. Ook daarin lijken pabo-studenten tekort te schieten. Leerkrachten zeggen dat ze steeds vaker stagiairs ontmoeten die niet voldoen: slechte werkhouding, slechte pedagogische vaardigheden.

anoniem

Leerkracht Marleen vindt dat gemiddeld twee van de tien pabostagiairs die zij in haar klas krijgt geschikt zijn voor het vak – een bedroevende score. En er zijn meer leerkrachten die er zo over denken en moeiteloos anekdotes oplepelen. ‘Ik krijg een kind in de klas erbij’, is een veelgehoorde klacht.

Niet alle leerkrachten willen met hun naam in de krant. Of mógen dat. Schooldirecties lijken beducht om hun relatie met de pabo op het spel te zetten. Ook de directeur van de basisschool van leerkracht Marleen staat op anonimiteit. “Wat zij vertelt is zonder meer waar”, zegt hij. “We zien dit al jarenlang binnen onze scholen gebeuren. We zien te weinig mensen met passie voor onderwijs.

‘‘Maar ik zie er geen meerwaarde in om de naam van onze school hieraan te verbinden. Waarom? Ik vind het geen goed visitekaartje tegenover de ouders. Bovendien denk ik dat een artikel in de krant niets verandert. Ik heb goede kanalen om mijn grieven bij de pabo neer te leggen. Daar krijg ik goede feedback van.”

Opmerkelijk. Want de pabo in kwestie zegt het geschetste beeld van de stagiairs niet te herkennen. “Als het al voorkomt zijn het incidenten, want dit horen wij niet terug”, zegt Nicole van Son, directeur van de Pabo Breda van de Avans Hogeschool. Wel zegt ze: “Wij hebben echt andere studenten binnen dan vroeger. Mij spreken ze ook gewoon aan met ‘Nicole’. Waarschijnlijk zijn ze zich er niet van bewust dat ze laconieker overkomen. Die professionele werkhouding moeten we ze echt leren. ‘Daarvoor hebben we een gedragscode opgesteld met regels als ‘op tijd komen’. Dat geldt dus ook voor hun stageperiode.” Maar Van Son richt haar pijlen ook op de leerkrachten: “Wij kweken hier kritische studenten, die met een open blik op een school aan de slag gaan. Wij stimuleren ze om kritische vragen te stellen en dat kan wel eens weerstand oproepen.”

Ook Dominique Hoozemans, voorzitter van het Lobo, het Landelijk Overleg Lerarenopleidingen Basisonderwijs, zegt verrast te zijn door deze ervaringen. “Ik denk dat dit soort verhalen anekdotisch zijn en dat we dit niet tot een algemeen beeld moeten verheffen.”

gemakzuchtig

“Ik vind het aantal klachten te groot om van incidenten te spreken,” zegt daarentegen Inge Braam. Als leerkracht aan groep 7 van basisschool Het Gilde en docent en stagebegeleider aan de Hogeschool Arnhem-Nijmegen ziet zij de pabo-studenten in de schoolbank én voor het bord. “Wat ik zie is dat het grootste deel van de studenten niet kan plannen en organiseren. Heel veel studenten onderschatten het vak, maken geen tijd om hun lessen fatsoenlijk voor te bereiden.

„ Ze zijn gemakzuchtig: als ze hun werk niet afhebben vergeven ze zichzelf gemakkelijk. Dat wekt wrevel bij de mentoren [de leerkrachten die stagiairs in de klas begeleiden, red.].Die worden boos als stagiairs te laat komen of als zij hun moeder laten bellen als ze ziek zijn. Of als duo-stagiairs samen giechelen en kletsen in de klas.”

Pabo-studenten lopen veel meer stage dan studenten op andere hbo-opleidingen. Het begint in het eerste jaar met vier keer twee weken. In het tweede jaar lopen studenten tien weken aaneengesloten stage. In het derde jaar kiezen ze een minor (bewegingsleer, zorg, wetenschap & techniek) en lopen daarbinnen de helft van de tijd stage. Het vierde jaar is de meesterproef: dan wordt de student een lio-stagiair (leerkracht in opleiding) die twintig aaneengesloten weken stage loopt en drie dagen per week de klas zelfstandig draait. Door deze structuur komen sneller dan bij andere hbo-opleidingen tekortkomingen van studenten aan het licht, want ze moeten al meteen laten zien wat ze kunnen. En wie ze zijn.

Voor de pabo’s is de stage in het eerste en tweede jaar echt een selectiemiddel, legt pabo-directeur Nicole van Son uit. “Van alle eerstejaarsstudenten valt 40 procent af. De meerderheid valt uit door taal en rekenen. Ik schat dat 10 procent uitvalt op de stage.” Daarbij gaat het om studenten die keer op keer te laat komen, keer op keer hun lessen niet hebben voorbereid. Ondanks de gedragscode, ondanks de vele ‘reflecties op het eigen handelen’ waarmee het competentiegerichte onderwijs doorspekt is. Deze studenten krijgen een bindend, negatief studieadvies, een zogeheten bas.

Overigens kunnen studenten met zo’n aantekening zich gewoon op een andere pabo inschrijven en opnieuw beginnen. Een kleine groep doet dit ook. Volgens de Informatie Beheer Groep betreft het zo’n 4,5 procent op het totaal aantal pabo-studenten (10.555 eerstejaars in 2007).

huilend

Wie eenmaal door de eerste twee jaar heen is valt niet meer af op de stage, zegt Van Son. En dat is vreemd. Want van een derde- of vierdejaars student wordt iets heel anders verwacht dan van een eerstejaars. En het is niet zo dat leerkrachten alleen klachten hebben over eerstejaars. Inge Braam: “Ik hoor juist indringender klachten over derde- en vierdejaars. Allemaal worstelen zij met de orde. Je ziet ze echt huilend door de school lopen. Ze hebben geen antwoord op het gedrag van kinderen, weten écht niet wat ze moeten doen als een kind zegt ‘dat doe ik niet’, als kinderen door de klas gaan lopen, vreselijk brutaal zijn en totaal niet luisteren.”

Braam zegt dus dat de pabo-studenten didactisch en pedagogisch onvoldoende bagage meekrijgen. Is dat een brevet van onvermogen voor de pabo’s? Inge Braam: “Voor ik zelf op de pabo werkte, had ik hier ‘ja’ op gezegd. Nu ik aan de pabo verbonden ben zie ik het anders. Wij besteden wel aandacht aan orde houden, maar je moet het toch echt in de praktijk leren om een klas goed te leiden: wanneer straf of beloon je, wanneer laat je iets passeren met een grapje. In de beoordeling van studenten is dat ook lastig: alles wat je goed vindt aan een eerstejaars kan helemaal fout zijn bij een derdejaars. Als je drie jaar groei hebt gezien en ineens komt zo’n jongen of meisje in een groep die hij of zij niet aankan, wat dan? Misschien lukt het in de herkansing wel. Of in een kleinere groep. Een andere school. Dat maakt het lastig: het is echt mensenwerk.”

dikke onvoldoende

Dat brevet van onvermogen ligt gevoelig op de pabo’s. Het is het eerste wat Van Son zegt: “Waarom komen jullie altijd terug op het verleden, terwijl we zo hard werken aan de toekomst?” Ze doelt daarmee op de dikke onvoldoende die de helft van de pabo’s in 2005 van de nieuwe accreditatiecommissie NVAO (Nederlands Vlaamse Accreditatie Commissie) kreeg voor zijn prestaties – onder andere omdat de opleidingen studenten onvoldoende voorbereidden op de praktijk. Maar sindsdien, zegt Van Son, zijn ze hard aan het werk gegaan met verbetertrajecten en veranderpunten. Oók en vooral op het gebied van de stage.

Overal worden nu bijvoorbeeld de contacten met de basisscholen aangehaald. Want dat is immers waar het om draait: wil je goede leerkrachten kweken dan moeten de pabo’s en de basisscholen aan dezelfde kant staan en elkaar versterken. Leerkrachten die kritiek hebben op het functioneren van een stagiair moeten het gevoel hebben gehoord te worden. Maar zo is het nog niet overal. Leerkrachten hebben in het algemeen geen zicht op wat er met een afgewezen stagiair gebeurt. “Van een stagiair die weg is hoor je niets meer”, zegt Inge Braam. “Zelf denk ik dat pabo’s sneller geneigd zijn iemand een extra kans te geven. Zij zien eerder groei dan een leerkracht. Dat merk ik aan mezelf. Op de pabo heb ik compassie met mijn studenten, want het is niet niks wat ze voor hun kiezen krijgen: hun eigen leerproces sturen, zelfstandig doorkrijgen wat de mores op een school zijn. Maar als leerkracht heb ik compassie met mijn leerlingen en wil ik niet dat zij de dupe worden van een student die zijn lessen niet voorbereidt. Ik ben als stagebegeleider toegeeflijker dan als mentor.”

Ook de pabo in Breda werkt aan verbeteringen. De pabo leidt leerkrachten op tot stagecoach, die binnen zijn of haar school alle stagiairs begeleidt. Volgend schooljaar gaat de pabo ook de mentoren opleiden.

Zodat de leerkracht niet meer korzelig roept ‘zou jij niet eens les gaan geven’ als de student braaf achterin de klas zijn verplichte ‘kindschets’ zit te maken.

Of al deze veranderingen de gewenste verbeteringen opleveren zal dit jaar blijken. Want de NVAO is met een nieuwe visitatieronde begonnen.