Heel lang gras

Het Wageningse graslandexperiment is een van de weinige langlopende ecologische onderzoeken ter wereld.

Marion de Boo

Margrieten, klavers en wuivende grassen. De proefveldjes op de Ossenkampen in Wageningen zijn één en al kleur. Deze week vierde het Wageningse graslandexperiment zijn vijftigste verjaardag met een symposium. Het is een van de weinige langlopende ecologische experimenten ter wereld.

In 1958 werd bij proefboerderij de Ossenkampen zo’n drie hectare grasland op rivierklei als proefveld voor bemestingsonderzoek ingericht. Het land werd in vakjes verdeeld. Smalle stroken gras van 16 meter lang en 2,5 meter breed kregen elk hun eigen bemestingsregime. “We strooien heel secuur, nog altijd met de hand”, vertelt beheerder Rob Geerts van Plant Research International. “We maaien elk veldje apart, in juli en oktober of november. We wegen de opbrengst, nemen bodemmonsters en houden precies bij welke plantensoorten verschijnen. Kijk, dit veldje krijgt alleen kalkbemesting – daar hebben we meer dan 50 plantensoorten geteld. Net een Alpenweitje! Daar heb je de Sint Jansvlinder.” Het vlindertje, met staalblauwe vleugels vol bloedrode druppels, heeft de bloeiende blauwe knoop ontdekt.

Geerts wijst op allerlei bijzondere grassen, zoals glanshaver, goudhaver en reukgras. “Reukgras zorgt voor die typische zoete geur van vers gemaaid hooi, er zit coumarine in. En hier heb je trilgras, dat trilt in de wind. De soort is bijna verdwenen, maar bij alleen een lichte kaliumbemesting zie je hem snel reageren. Ook het tandjesgras, een echte blauwgraslandsoort, zien we de laatste jaren steeds meer.”

Op zes andere, grotere stukken proefveld graast jongvee. De koeien mogen drie tot vier maal per jaar een paar dagen lang het proefveldje op. Hier en daar staat een ‘graskooi’, een soort konijnenren. Onder het gaas groeit het gras gewoon door, de koeien kunnen er niet bij en hier worden grasmonsters genomen. “De eerste jaren werden de koeien ook telkens gewogen, maar daar zijn we van afgestapt”, zegt Geerts lachend.

We staan in het laagste deel van het Wageningse Binnenveld, het open weidegebied tussen Wageningen, de Grebbenberg en Veenendaal. Toen de Rijn hier nog vrij spel had, is hier zware rivierklei afgezet, die haast niet te ploegen valt en daarom alleen als grasland geschikt is. Richting Veenendaal – de naam zegt het al – wordt de bodem steeds veniger.

Het proefveld is een oud grasland, op de topografische kaart van 1630 stond het al als cultuurland ingetekend. Deze rivierklei is tamelijk kalkrijk. Tot omstreeks 1950 was het Binnenveld vermaard om zijn blauwgraslanden, natte, schrale hooilanden met een uitbundige soortenrijkdom. “Botanici uit heel Europa kwamen hier kijken”, zegt Geerts. “Het moet gezegd dat onze voorgangers in de graslandkunde die soortenrijkdom doeltreffend om zeep hebben geholpen. Vroeger zaaiden de boeren veel rijkere mengsels van grassen, kruiden en klavers in, tegenwoordig hoofdzakelijk Engels raaigras.”

hooioogst

Na de Tweede Wereldoorlog wilden Wageningse onderzoekers serieus werk gaan maken van graslandverbetering. Het experiment op de Ossenkampen was bedoeld om de effecten van het beheer (maaien of beweiden) te onderscheiden van de effecten van de bodemvruchtbaarheid. In die dagen waren weilanden meestal vruchtbaarder dan hooilanden, want door de mest van het grazende vee werd het weiland geleidelijk voedselrijker, terwijl het hooiland door het afvoeren van mineralen met de hooioogst steeds voedselarmer werd.

De eerste proef kreeg als titel ‘Onderzoek aan verwaarloosd grasland’. “De Ossenkampen hadden in de oorlog blank gestaan door de inundatie van de Grebbelinie”, vertelt projectleider dr.ir. Hein Korevaar. “De boeren in deze streek hadden het niet gemakkelijk. Voedselproductie was prioriteit nummer één.”

Vijftig jaar later zijn tussen de proefveldjes grote verschillen ontstaan in bodemvruchtbaarheid, grasproductie, en soortenrijkdom van planten. In de proefveldjes die de standaard NPK-bemesting krijgen (stikstof, fosfaat, kalium) daalt de soortenrijkdom binnen tien jaar van dertig naar hooguit vijftien soorten. Grassen domineren het beeld. De opbrengst is hoog. Een eenzijdige bemesting met uitsluitend stikstof werkt op den duur sterk verzurend. Veldjes die geen stikstof, maar wél kalium en fosfaatbemesting krijgen, zien er veel aantrekkelijker uit.

Korevaar: “Dit is een interessante optie voor agrarisch natuurbeheer. Het grasland heeft nog steeds een flinke productie omdat er veel vlinderbloemige planten verschijnen, die zelf stikstof binden. De hoge productie gaat gepaard met een grote soortenrijkdom, bijna veertig soorten gemiddeld, en een aantrekkelijke aanblik. Je ziet veel bloeiende klavers en wikke. Boeren in Winterswijk zijn hiermee aan de slag gegaan.”

De onbemeste veldjes en de veldjes die alleen een kalkbemesting hebben gekregen zijn na vijftig jaar maaien prachtige natuurreservaatjes geworden. “Hier vind je mooie, soortenrijke gemeenschappen, zoals die hier vroeger op grote schaal voorkwamen”, zegt hoogleraar natuurbeheer prof. dr. Frank Berendse. “Daarbij is sprake van een opvallende dynamiek. Soorten komen en gaan, het beeld verandert nog voortdurend. Dat hadden we niet verwacht.” Hij noemt het onderzoek ook van grote culturele waarde. “Een prachtig voorbeeld van de degelijkheid waarmee landbouwkundig onderzoek vijftig jaar geleden werd opgezet. Alleen het aantal herhalingen in de proefvelden had achteraf bezien wel groter mogen zijn, met het oog op de statistische analyses.”

De Britse topecoloog Jonathan Silvertown noemt de Ossenkampen interessant, juist omdat weinig experimenten in de ecologie zo lang lopen. Zelf is Silvertown betrokken bij het Park Grass Experiment bij Rothamsted, even ten noorden van Londen, dat al 152 jaar loopt en dat voor de Ossenkampen model heeft gestaan. Silvertown: “Zulke langlopende datasets bieden unieke kansen om ecologische en evolutionaire processen te bestuderen.”

vlinderbloemigen

In het Park Grass experiment is bijvoorbeeld gebleken dat er bij elk van de gegeven behandelingen door de jaren heen een zeker evenwicht ontstaat tussen drie functionele groepen, namelijk grassen, leguminosen (vlinderbloemigen) en overige planten. Bij een stikstofbemesting hebben de grassen een aandeel van meer dan 90 procent – net als in Wageningen dus. Bij een fosfaat- en kaliumbemesting stijgt het aandeel leguminosen tot boven de 30 procent. Onbemeste plots nemen een middenpositie in. Maar binnen elke plantengroep blijft de samenstelling van de individuele soorten voortdurend veranderen.

“Het wordt nu tijd om nieuwe onderzoeksvragen op te pakken”, vindt de Wageningse rector magnificus prof. dr. Martin Kropff, zelf van huis uit graslandecoloog. “Naast ontwikkelingen in het agrarisch natuurbeheer zijn dat bijvoorbeeld de invloed van klimaatverandering op de koolstofhuishouding en bodemontwikkeling. Langjarige projecten zijn van groot belang om ecologische processen, zoals concurrentie tussen soorten, te begrijpen en te modelleren en langlopende datasets zijn daarbij buitengewoon waardevol.”