Eten en drinken is weer een politieke hoofdzaak

Het optreden van president Mugabe van Zimbabwe bij de Voedsel en Landbouworganisatie (FAO) in Rome was het symbolische dieptepunt van een topconferentie die deze week toch al zo weinig hoogtepunten kende. Terwijl de presidentiële tegenkandidaat Tsvangirai in Zimbabwe een halve dag gevangen werd gehouden, gebruikte Mugabe de bijeenkomst van de FAO om het koloniale Westen en het slechte weer de schuld te geven van de voedselcrisis. Als iemand dat in Rome niet met goed fatsoen had mogen zeggen, dan is het Mugabe. Hij heeft er als geen ander zelf de hand in gehad dat Zimbabwe aan de bedelstaf is geraakt.

Desondanks viel zijn rede niet honderd procent uit de toon. Er waren meer sprekers die de dreigende honger voor 850 miljoen ondervoede wereldburgers vooral te lijf gingen met verwijten over en weer. Schuld en boete domineerden. Vandaar de belofte van Nederland en andere donoren om een gezamenlijke pot te vullen met ruim vier miljard euro, zodat de doelstelling van de FAO (halvering van de honger in 2015) kan worden betaald.

Voor relativering was in Rome dus geen plaats. Ook al is het een feit dat de voedselvoorziening in de wereld, vergeleken met het begin van de ‘groene revolutie’ in de jaren zestig, spectaculair is verbeterd. In 1970 werd in nagenoeg heel Afrika en in Azië door een kwart of meer van de bevolking honger geleden. Nu beperkt deze rampspoed zich vooral tot het hart van Afrika.

Maar de grenzen van dit succes zijn nu wel bereikt. Steeds meer wreekt zich de gescheiden ontwikkeling van Noord en Zuid. Mede dankzij het subsidiebeleid van de EU waren in Europa de boeren zeker van inkomsten en hebben ze kunnen investeren in een spectaculaire productiviteitsverhoging. In het Zuiden daarentegen heeft de politieke neiging om de stedelijke bevolking rustig te houden met maximumprijzen en consumentensubsidies de productiviteitsverhoging juist ontmoedigd.

De huidige spanningen op de voedselmarkt zijn overigens niet alleen het resultaat van deze tegenstelling. Een hele reeks ontwikkelingen speelt een rol. Zoals het ondoelmatige gebruik van grond en water, de talloze politieke interventies op de markten (variërend van protectionisme tot oorlog), de ongekend succesvolle industrialisering in opkomende landen en het fictieve idee in de oude wereld dat het vanzelfsprekend is dat eten en drinken een minder groot deel van het gezinsinkomen opsouperen dan bijvoorbeeld autorijden.

Op de conferentie van de FAO werd daar omheen gedraaid. Het meningsverschil over bio-energie is dus onder een tapijt van nader „diepgaand onderzoek” geschoven. De conclusies over het gevaar van protectionisme waren iets minder vaag. In de slotverklaring worden de lidstaten opgeroepen „handelsbelemmeringen en marktverstorend beleid te beperken”. Maar ook hierover moeten niet al te veel illusies worden gekoesterd. Het hemd is altijd nader dan de rok. Zo klaagt Argentinië, een van de winnaars op de nieuwe voedselmarkt, over de landbouwsubsidies in Amerika en Europa, maar heft het zelf exporttarieven. Omgekeerd is de EU slechts schoorvoetend bereid zich aan meer vrijhandel te onderwerpen. Dat is niet onbegrijpelijk. Voedsel neemt een strategische positie in. Voedsel is daarmee een politieke hoofdzaak aan het worden.

Die politieke kant wordt nog niet alom onderkend. Waar algemeen is erkend dat energiebeleid politiek van het zuiverste water is, wordt voedsel nog vaak in morele termen besproken. Honger roept medelijden op en noopt dus tot vrijgevigheid. Die beperkte blik is op zichzelf sympathiek. Maar de wereldvoedselvoorziening is uiteindelijk een veel groter vraagstuk dan de ideële doelstellingen en de materiële voorzieningen waarmee de FAO de nooddruftigen te hulp gaat schieten. Voedsel zal nog duurder worden en duur blijven. Dat vergt verdergaande aanpassingen dan de naastenliefde met dat beloofde potje van vier miljard.